50 jaar Onafhankelijkheid – Special

Max Ghazi

“De onafhankelijkheid was geen mislukking — maar wel te vroeg, te snel en te weinig doordacht”


Vijftig jaar na de onafhankelijkheid van Suriname kijkt ondernemer en diaspora-analist Max Ghazi met een kritische, maar constructieve blik terug op de gebeurtenissen van 1975 en de halve eeuw die daarop volgde. Voor hem is de onafhankelijkheid geen mislukking geweest — maar de manier waarop deze tot stand kwam, noemt hij een gemiste kans met verstrekkende gevolgen.

“De onafhankelijkheid was prematuur — en dat heeft het land decennia gekost”

Volgens Ghazi was de geboorte van de Republiek Suriname in 1975 niet zozeer een politieke overwinning, maar eerder het resultaat van overhaaste onderhandelingen waarbij een kleine politieke elite de boventoon voerde.

“De onafhankelijkheid van Suriname was geen mislukking, maar de manier waarop deze tot stand kwam was prematuur en onvoldoende onderbouwd,” zegt hij.
“De onderhandelingen lijken vooral gevoerd met het oog op het verrijken van een kleine elite, niet op het bouwen van een solide fundament voor ontwikkeling.”

Het gevolg: een losgeslagen proces waarin belangen van het volk ondergeschikt waren aan persoonlijke en politieke agenda’s. Ghazi stelt dat dit patroon zich ook ná 1975 vaak heeft herhaald.

Gemiste overdracht van expertise: een economisch verlies dat tot vandaag voelbaar is

Een tweede gemiste kans uit 1975 ligt volgens Ghazi op het terrein van economische kennis. Suriname had toen — én nu nog steeds — een overvloed aan waardevolle natuurlijke hulpbronnen: bauxiet, goud, hout, olie, gas, zoet water en mineralen.

Maar de benodigde expertise om deze rijkdommen op internationaal concurrerend niveau te beheren, werd nooit structureel overgedragen.

“Het is jammer dat de expertise die bij de kolonisator lag op het gebied van hoogwaardige natuurlijke hulpbronnen niet is gedeeld of gecoördineerd.”

De Surinaamse bevolking en diaspora waren destijds hoogopgeleid, benadrukt hij, maar misten praktijkervaring op het niveau van bedrijven als Billiton en Shell. Daardoor kon Suriname de echte economische waarde van zijn bodemschatten nooit volledig benutten.


Nationaliteitskwestie: een historische fout met langetermijngevolgen

Voor Ghazi is één aspect van de onafhankelijkheid onbegrijpelijk en onvergeeflijk: het niet realiseren van dubbele nationaliteit voor de Surinaamse diaspora.

“Het is onbegrijpelijk dat de onderhandelaars dit niet hebben bereikt. Andere landen, zoals Marokko, hebben hun diaspora wél die mogelijkheid gegeven.”

Volgens hem heeft dit besluit de betrokkenheid van de diaspora — een groep met enorme kennis, ervaring en kapitaalkracht — structureel beperkt.

“De diaspora wordt te vaak alleen tijdens verkiezingen benaderd, en daarna weer vergeten. Dat moet anders.”

Hij pleit voor concrete, duurzame manieren om diaspora-betrokkenheid te institutionaliseren.

Oproep tot waarheidsvinding: ‘De geschiedenis van 1975 moet open op tafel’

Een ander punt dat Ghazi met kracht benadrukt, is de noodzaak van volledige openheid over de gebeurtenissen van 1975. Hij stelt dat cruciale informatie is achtergehouden en dat de ware beweegredenen voor de snelheid van de onafhankelijkheid nog altijd niet volledig bekend zijn.

“Er is in 1975 cruciale informatie in Nederland achtergehouden. De dagboeken van sleutelfiguren zoals Jan Pronk, Joop den Uyl en André Gaai Voorman verschillen van elkaar, maar kunnen duidelijk maken waarom het zo snel is doorgeduwd.”

Ghazi roept de Surinaamse regering én de media op om druk uit te oefenen voor volledige openbaarheid van deze documenten. Waarheidsvinding is volgens hem essentieel om het verleden te begrijpen én om toekomstige fouten te voorkomen.

Een nieuw raamverdrag: ‘Geen terugkeer, maar een herdefiniëring van de relatie’

Voor Ghazi is het duidelijk dat Suriname op eigen kracht verder moet — maar niet alleen. Hij ziet een kans in een vernieuwde, transparante vorm van samenwerking met Nederland.

“Ik roep de huidige vrouwelijke president op om een nieuw raamverdrag met Nederland te onderzoeken.”

Hij verwijst naar 1988, toen minister-president Ruud Lubbers al een vergelijkbaar voorstel deed — destijds afgewezen door president Venetiaan. In het licht van huidige uitdagingen zoals klimaatverandering, bedreiging van de kustvlakte en de strategische ligging van Suriname, vindt Ghazi dat het tijd is om deze mogelijkheid opnieuw te bekijken.

Een raamverdrag zou volgens hem een moderne, duurzame vorm van samenwerking creëren — zonder de onafhankelijkheid van Suriname ter discussie te stellen.

“Suriname moet op eigen kracht bouwen — maar niet in stilte”

Hoewel zijn analyse kritisch is, sluit Ghazi af met een boodschap van positiviteit en verbondenheid.

“Suriname moet primair op eigen kracht bouwen. De bevolking moet verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst.”

Maar hij benadrukt ook dat samenwerking met Nederland — gebaseerd op respect en gelijkwaardigheid — de sleutel kan zijn tot de volgende vijftig jaar.

Een wens voor de toekomst

Met het gouden jubileum van de onafhankelijkheid in zicht, richt Ghazi zich tot het Surinaamse volk:

“Ik wens de Surinaamse bevolking een gezegende tijd van 50 jaar onafhankelijkheid toe en een voorspoedige en gezonde relatie met Nederland.”

Zijn woorden vormen een afsluiting — én een uitnodiging: om kritisch naar het verleden te kijken, eerlijk te zijn over het heden en met nieuwe moed te bouwen aan de toekomst.

 

Populaire posts van deze blog