Vrees over extra Nederlandse heffing belasting op vastgoedbezit in Suriname onterecht
Fiscaal jurist Siegfried Guillaume Kenswil stelt dat de
onrust binnen delen van de Surinaamse gemeenschap over de nieuwe box 3-wet
juridisch niet terecht is. Volgens hem verandert de invoering van het nieuwe
belastingstelsel per 1 januari 2028 niets aan de verdragsbescherming tussen
Nederland en Suriname.
Binnen de Surinaamse gemeenschap in Nederland leeft
de vrees dat Nederland vanaf 2028 zelfstandig extra belasting zou kunnen heffen
over woningen en ander vastgoed die ze hebben in Suriname (tweede woning in het
buitenland). Die zorg lijkt juridisch ongegrond, zegt Kenswil.
Belastingverdrag
blijft leidend
Tussen Nederland en Suriname geldt een
belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting. Dat verdrag bepaalt dat
inkomsten uit onroerend goed belast mogen worden in het land waar het vastgoed
is gelegen. Hetzelfde geldt voor verkoopwinsten en het vermogen zelf, reageert
Kenswil verder op vragen van EM Newsroom.
Het verdrag bepaalt expliciet:
- Artikel 6: inkomsten uit onroerende goederen mogen worden belast in de
Staat waar deze goederen zijn gelegen.
- Artikel 14: voordelen uit de vervreemding van onroerende goederen
mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.
- Artikel 23: vermogen bestaande uit onroerende goederen mag worden
belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.
Volgens Kenswil betekent dit dat het primaire
heffingsrecht over huurinkomsten, vermogenswinsten bij verkoop en het vermogen
zelf bij Suriname ligt wanneer de woning daar is gelegen.
Nederland is op grond van het verdrag verplicht
dubbele belasting te voorkomen. De nieuwe box 3-wet doorbreekt dit verdrag niet
en kan dat ook niet.
“Internationale belastingverdragen hebben
voorrang boven nationale wetgeving,” benadrukt Kenswil.
“De vrees dat Nederland vanaf 2028 zelfstandig en onbeperkt extra belasting zou
kunnen heffen over een woning in Suriname miskent deze verdragsbescherming. De
nieuwe wet verandert niets aan de verdragsverdeling van heffingsrechten.”
Nieuwe box
3-wet: wat verandert er?
Het wetsvoorstel “Wet werkelijk rendement box 3”
(Kamerstuk 36 748) is op 12 februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen en
moet nog door de Eerste Kamer worden behandeld. De beoogde ingangsdatum is 1
januari 2028.
De kern van de wet is dat box 3 zoveel mogelijk
overstapt van een forfaitair rendement naar heffing over “werkelijk rendement”.
Er wordt gewerkt met een hybride model:
1.
Hoofdregel: vermogensaanwasbelasting
Jaarlijkse belasting over ontvangen inkomsten én jaarlijkse waardemutaties (dus
ook ongerealiseerde waardestijgingen).
2.
Uitzondering: vermogenswinstbelasting
Voor met name onroerende zaken in box 3, en daarnaast aandelen in startende
ondernemingen buiten box 2.
Bij onroerende zaken worden de jaarlijkse inkomsten belast, maar
waardestijgingen pas bij verkoop.
Voor onroerende zaken (ook in het buitenland)
geldt onder het nieuwe stelsel:
- Jaarlijkse belasting over lopende inkomsten (bijvoorbeeld huur), na
aftrek van relevante kosten en rente.
- Waardestijging wordt pas belast bij realisatie (verkoop).
- In bepaalde gevallen kan een “vastgoedbijtelling” spelen bij
(gedeeltelijk) eigen gebruik.
Kenswil benadrukt dat voor buitenlands onroerend
goed het heffingsrecht op grond van internationale regels doorgaans bij het
land van ligging ligt. Nederland moet dan dubbele belasting voorkomen. Over de
precieze uitwerking voor buitenlandse situaties onder het nieuwe stelsel is
aangegeven dat nadere regels nog volgen.
Aangifteplicht
blijft bestaan
Waar de Surinaamse gemeenschap zich volgens
Kenswil wél zorgen over moet maken, is wanneer het onroerend goed nooit in de
Nederlandse aangifte is opgegeven.
Ook al is het heffingsrecht op grond van het
verdrag aan Suriname toegewezen, het buitenlandse onroerend goed moet wél
worden opgenomen in box 3. Nederland verleent vervolgens voorkoming van dubbele
belasting, maar de vermogensbestanddelen moeten volledig
worden aangegeven.
Hetzelfde geldt wanneer het onroerend goed wordt
gehouden via een Surinaamse stichting. Op basis van het Nederlandse APV-regime
(afgezonderd particulier vermogen) kan het vermogen fiscaal worden toegerekend
aan de in Nederland woonachtige inbrenger of begunstigde. Ook in die situatie
moet het Surinaamse vastgoed worden meegenomen in box 3.
Niet-aangegeven vermogen vormt volgens Kenswil
een wezenlijk groter risico dan de nieuwe box 3-wet zelf.
Invloed op box
3-berekening
Het Surinaamse onroerend goed telt mee bij de
bepaling van de totale vermogensgrondslag in box 3. Dat kan invloed hebben op
de berekening van de Nederlandse heffing, ook al wordt uiteindelijk voorkoming
van dubbele belasting verleend.
De voorkoming werkt via een
evenredigheidsmethode:
1.
Het Surinaamse vastgoed telt eerst mee in de
totale box 3-grondslag.
2.
Vervolgens wordt berekend welk deel van het box
3-vermogen aan het buitenlandse onroerend goed is toe te rekenen.
3.
Dat deel van de Nederlandse box 3-heffing wordt
verminderd.
Effectief leidt dit er in de praktijk vaak toe
dat over het Surinaamse onroerend goed zelf geen Nederlandse box 3-belasting
verschuldigd is.
Wel kan het Surinaamse onroerend goed indirect
invloed hebben op de totale berekening, bijvoorbeeld doordat het de verhouding
tussen bezittingen en schulden in box 3 beïnvloedt.
Kort gezegd: Nederland belast het Surinaamse
vastgoed niet zelfstandig naast Suriname, maar het moet wel worden aangegeven
en kan invloed hebben op de berekeningssystematiek van box 3.
Onderscheid
met andere vermogensbestanddelen
Kenswil wijst erop dat onderscheid moet worden
gemaakt met andere vermogensbestanddelen.
Bankrekeningen, effectenportefeuilles en andere
financiële bezittingen, waar ter wereld ook aangehouden, worden op grond van
belastingverdragen en internationaal belastingrecht in beginsel belast in het
woonland van de belastingplichtige.
Voor een in Nederland woonachtige persoon
betekent dit dat dergelijke vermogensbestanddelen in Nederland in box 3
belastbaar zijn. Het verdrag wijst het heffingsrecht over dit type vermogen dus
juist aan Nederland toe. Dit geldt bijvoorbeeld voor Staatsolie-obligaties.
Surinaamse
heffingen
Los van de Nederlandse box 3-systematiek kent
Suriname zelf heffingen op onroerend goed en/of huurinkomsten. Dat is Surinaams
recht en staat los van de Nederlandse regelgeving.
De juridische werkelijkheid wijkt af van de
onrust die binnen delen van de Surinaamse gemeenschap leeft, besluit Kenswil.
De belangrijkste boodschap van Kenswil: niet de
wetswijziging vormt het grootste risico, maar het niet aangeven van buitenlands
vermogen in de Nederlandse belastingaangifte.
Kenswil legt ook middels een voorbeeld het geheel
uit:
In 2026 bedraagt het
heffingsvrij vermogen € 59.357 in box 3. Dit betekent dat iemand met een
nettovermogen van €50.000 geen enkele heffing heeft in box 3, ongeacht de toepassing
van het belastingverdrag.
Dit zijn gedetailleerde
berekeningen die erg afhangen van de details van de persoonlijke situatie. Ik
geef hierna een simpele casus die de werking va het belastingverdrag kan
illustreren.
Alleenstaande fiscaal
inwoner van Nederland.
Met € 60.000 als spaargeld.
Een tweede woning in
Suriname ter waarde van €50.000.
Geen schulden
Totaal vermogen: €
110.000
_______________________________________________
Huidige box 3 (2026):
Totaal vermogen: € 110.000
Heffingsvrij vermogen: €
59.357
Belastbare grondslag:
€ 110.000 – € 59.357 = €
50.643
Over € 50.643 wordt een
forfaitair rendement berekend (mix spaargeld + overige bezittingen). Daarover
geldt 36% belasting.
Het fictief rendement is €
1.734,73
Box 3 belasting: 36% × €
1.734,73 = € 624,50
Daarnaast kan met t.w.k.
vanaf 2017 ervoor gekozen worden uit te gaan van het werkelijk rendement i.p.v.
het fictief rendement. De laagste van de twee mag worden gekozen.
Toepassing van het
belastingverdrag
De Surinaamse woning
vertegenwoordigt 45,455% van het totale vermogen.
Belastingverdragsvermindering:
45,455% × € 624,50 = €
283,86
Te betalen box 3-belasting
2026: € 624,50 − € 283,86 = € 340,64
________________________________________________________________
Nieuwe stelsel vanaf 2028
In nieuwe situatie wijzigt
de belastingverdragstoepassing niet.
Wat wel verandert is het
fictief rendement niet meer van toepassing is. Dat betekent dat in het geval
van het spaargeld, alleen de daadwerkelijke inkomsten (i.e. interest) wordt
meegenomen.
Voor de tweede woning in
Suriname geldt dat alleen eventuele inkomsten (huur minus kosten) worden
meegenomen en waardestijging gerealiseerd bij verkoop. Indien de tweede woning
niet verhuurd wordt dan wordt een vastgoedbijtelling berekend (weer een vorm
van fictief rendement). Vervolgens wordt de box 3 belasting daarop betrekking
heeft weer verminderd door toepassing van het belastingverdrag.
Casus 2028
Aleenstaande, fiscaal
inwoner Nederland
Spaargeld: € 60.000
Tweede woning Suriname: €
50.000
Geen schulden
Geen verhuur, noch verkoop
van de tweede woning
Box-3-tarief: 36%
Vastgoedbijtelling: 3,35%
Heffingsvrij resultaat: €
1.800
Onder het nieuwe stelsel
wordt het werkelijk rendement belast.
Stel: rente 1,5% op het
spaargeld
Werkelijk rendement:
€ 60.000 × 1,5% = € 900
Woning in Suriname
(vermogenswinstbelasting)
Omdat de woning niet wordt
verhuurd, geldt de vastgoedbijtelling.
Vastgoedbijtelling:
€ 50.000 × 3,35% = € 1.675
Dat is het belastbare
resultaat voor toepassing van het heffingsvrij resultaat.
Totaal box 3-resultaat voor
toepassing heffingsvrij resultaat
Spaargeld: € 900
Vastgoedbijtelling: € 1.675
Totaal resultaat:
€ 900 + € 1.675 = € 2.575
Toepassing heffingsvrij
resultaat
Heffingsvrij resultaat: €
1.800
Belastbaar box 3-resultaat:
€ 2.575 − € 1.800 = € 775
Box 3-belasting (36%)
36% × € 775 = € 279
Onder het belastingverdrag
zal Nederland daarom voorkoming van
dubbele belasting moeten verlenen voor het aan de woning toe te rekenen deel
van box 3 belasting.
Aandeel Surinaamse woning in
totaal resultaat:
Vastgoedbijtelling € 1.675
Totaal resultaat € 2.575
Aandeel = 1.675 / 2.575 =
65,05%
Vermindering:
65,05% × € 279 = € 181,49
Te betalen box 3 belasting:
€ 279 − € 181,49 = € 97,51
_______________________________________________________________________
Vergelijking te betalen box
3 belasting
2026 (huidig stelsel): €
340,64
2028 (nieuw stelsel ): €
97,51
Foto: Siegfried Guillaume Kenswil
