ARCHIEFGEHEIMEN
1975 (deel 6): Het Nederlandse verhaal
Archiefstukken onthullen: Suriname wilde
grensgeschil zelf oplossen terwijl Guyana demilitarisering negeerde
Nieuwe inzichten uit vertrouwelijke Nederlandse
archiefdocumenten uit de periode 1971–1975 tonen aan dat Guyana zich niet hield
aan de afgesproken demilitarisering in het betwiste grensgebied. Tegelijkertijd
blijkt dat Suriname bewust koos om het conflict zelfstandig te beheren en
Nederlandse inmenging af te wijzen.
Daarnaast bevestigen dezelfde archiefstukken iets fundamenteels: zowel
uit Nederlandse correspondentie als uit koloniale dossiers blijkt dat Nederland
er altijd vanuit ging dat het Tigri-gebied tot Suriname behoorde — een
opvatting die ook in gesprekken tussen Nederland en Engeland vóór de
onafhankelijkheid van Guyana regelmatig werd bevestigd of als vanzelfsprekend
uitgangspunt werd gehanteerd. De archieven laten echter ook zien dat de twee
koloniale machten er nooit in slaagden dit formeel te regelen. Daardoor bleef
het Tigri-dossier bij de onafhankelijkheid van Guyana in 1966 onopgelost
voortbestaan.
Demilitarisering
als kern van de afspraak
In 1971 werd in de Overeenkomst Koninkrijk–Guyana
vastgelegd dat het driehoekige gebied tussen de Koetari en de New River
volledig gedemilitariseerd moest worden. Dit moest verdere escalatie tussen de
twee buurlanden voorkomen.
Een speciaal ingestelde Surinaams-Guyanese Commissie, ontstaan onder
bemiddeling van Trinidad, kreeg als opdracht om:
• het gebied te ontmilitariseren,
• incidenten te voorkomen,
• troepenbewegingen te stoppen,
• en het diplomatieke overleg te hervatten.
Maar uit interne rapporten van het Nederlandse
ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat Guyana die afspraken stelselmatig
schond.
Rapporten:
Guyana bleef actief in het betwiste gebied
In verschillende vertrouwelijke nota’s wordt
melding gemaakt van Guyanese troepen die bleven patrouilleren en zelfs
incursies uitvoerden tot aan de Corantijn. Ook zouden Guyanese vaartuigen
Surinaams gebied binnen zijn gevaren, ondanks herhaalde protesten uit
Paramaribo.
In één dossier staat dat Guyana “zich niet geheel
aan de afspraak betreffende de demilitarisatie houdt”. Andere rapportages
spreken van “Guyanese vaartuigen actief op de Corantijn”, voor Suriname een
bevoegdheidsgebied.
Suriname wilde
rust — maar geen ingrijpen van Nederland
Opvallend is dat Suriname, ondanks de
overtredingen door Guyana, geen beroep wilde doen op Nederlandse interventie.
Archiefstukken laten zien dat:
• Nederland meermaals vroeg of het diplomatiek moest optreden richting Guyana,
• Suriname telkens verzocht de kwestie niét via Den Haag te laten spelen,
• en de Surinaamse regering ook tijdens spanningen vasthield aan een eigen
diplomatieke aanpak.
Een interne ministeriële nota vat dat standpunt
kernachtig samen: Suriname gaf “de voorkeur de zaak zelf te behandelen en niet
te laten escaleren via het Koninkrijk”.
Voor Paramaribo speelde onder meer mee dat:
• het de bilaterale dialoog niet wilde beschadigen,
• het zich voorbereidde op de onafhankelijkheid,
• te actief Nederlands optreden Guyana kon provoceren,
• en er binnen Suriname politieke gevoeligheden bestonden.
Nederland
wilde helpen, maar hield afstand
Uit de stukken blijkt dat Nederland bereid was
om:
• een krachtig diplomatiek protest te sturen,
• Guyana internationaal aan te spreken,
• en het Surinaamse territoriale claim te bevestigen.
Tegelijkertijd bevatten dezelfde archieven
correspondentie die teruggaat tot het einde van de koloniale periode, waaruit
blijkt dat Nederland en Engeland al vóór 1966 gesprekken voerden over de
grenssituatie. De documenten laten zien dat Nederland de Koetari-lijn als de
correcte grens hanteerde en dat dit uitgangspunt herhaaldelijk met Engeland
werd besproken. Hoewel die gesprekken het beeld bevestigden dat Tigri tot
Suriname behoorde, kwam er nooit een formele, bindende bilaterale afronding.
Deze nalatigheid had gevolgen:
bij de onafhankelijkheid van Guyana bleef het dossier onopgelost, waardoor
de sluimerende grenskwestie automatisch werd geërfd door de nieuwe staat.
Een passage uit een “Zeer Geheim”-document maakt
Surinames keuze in de jaren ’70 expliciet:
“De gehele kwestie onttrekt zich, zij het met onze instemming, goeddeels aan
ons gezichtveld.”
Met andere woorden: Nederland stond paraat, maar
Suriname hield de regie stevig in handen.
Surinaamse
strategie gericht op stabiliteit
De gevonden archiefstukken laten een consistente
Surinaamse lijn zien:
- De
Koetari bleef voor Suriname de enige erkende bron van de Corantijn — en
daarmee bleef ook de claim op het betwiste driehoekgebied intact.
- Escalatie
moest worden voorkomen, vooral in de aanloop naar de onafhankelijkheid in
1975.
- Nederlandse
steun was welkom, maar alleen wanneer Suriname die expliciet vroeg — iets
wat zelden gebeurde.
Guyana
reageerde soms economisch
Guyana gaf niet alleen militaire signalen. In één
geval legde het zelfs beperkingen op aan suikerexporten naar Suriname, wat door
Nederlandse diplomaten werd uitgelegd als een “retaliatie” op Surinaamse
territoriale aanspraken.
Onopgelost het
heden in
Doordat Suriname het diplomatieke proces zelf
wilde beheersen en Nederland op afstand hield, kwam er vóór de
onafhankelijkheid geen definitieve oplossing.
Bovendien was het geschil al vóór 1971 nooit formeel opgelost tussen
Nederland en Engeland, ondanks duidelijke signalen uit de archieven dat
Nederland het gebied als Surinaams beschouwde.
Het conflict werd feitelijk “in de wacht gezet”, maar bleef juridisch volledig
open — een situatie die tot op de dag van vandaag voortduurt.
Conclusie
De archiefstukken werpen nieuw licht op een
jarenlang onderbelichte dynamiek:
• Guyana hield zich niet aan de afspraak om het betwiste gebied te
demilitariseren.
• Suriname koos ervoor om de kwestie niet via Nederland te laten escaleren, uit
strategische en politieke overwegingen.
• En de koloniale archieven bevestigen dat Nederland het gebied altijd als
Surinaams zag, maar dat Nederland en Engeland vóór 1966 nalieten hierover een
formele afronding te bereiken — waardoor de kwestie onopgelost werd overgedragen
aan het onafhankelijke Guyana.
Deze combinatie van Guyanese militaire druk,
Surinaamse diplomatieke terughoudendheid en een onvoltooid koloniaal dossier
zorgde ervoor dat een definitieve grensregeling in de jaren vóór 1975 uitbleef.
Foto Surinaamse grenscommissie op Schiphol (1965).
Dr. ir. F.E. Essed (rechts) voorzitter van de commissie
en de gevolmachtigd minister van Suriname dr. Einaar tijdens een
persconferentie. Fotograaf: Evers, Joost / Anefo Auteursrechthebbende: Nationaal
Archief, CC0
