ARCHIEFGEHEIMEN 1975 : 
Het Nederlandse verhaal
 (deel 1)

“Geen overhaaste onafhankelijkheid”: 

EM Newsroom toont aan dat Nederland en Suriname wél degelijk uitgebreid hebben voorbereid op 1975

Er bestaat een hardnekkig beeld dat de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 overhaast, ongecoördineerd en zonder gedegen voorbereiding tot stand kwam. In publieke debatten, op sociale media en zelfs in sommige historische analyses wordt vaak gesteld dat Den Haag en Paramaribo “blindelings” richting 25 november 1975 gingen. Het overheersende idee is dat beide regeringen, gedreven door politieke druk en emotie, nauwelijks tijd of structuur hadden om de staatkundige, economische en sociale consequenties van onafhankelijkheid zorgvuldig uit te werken.

Een diepgravende reconstructie van EM Newsroom, gebaseerd op honderden pagina’s documenten uit de Nederlandse MICOS-archieven (Ministeriële Commissie Onafhankelijkheid Suriname), archieven van ministeries, ambtelijke werkgroepen, adviezen van deskundigen, CBS-statistieken en vroegtijdige Nederlandse en Surinaamse enquêtes, laat echter een veel genuanceerder en completer beeld zien.


De conclusie van EM Newsroom is helder:

Er is wél degelijk een intensieve, systematische en in sommige opzichten uitzonderlijk grondige voorbereiding geweest op de onafhankelijkheid van Suriname — vooral in anderhalf jaar vóór 25 november 1975.

Sterker nog: de hoeveelheid overleg, onderzoek, beleidsontwikkeling en interdepartementale coördinatie was omvangrijker dan veel historici tot nu toe hebben beschreven. Hoewel politieke urgentie soms voor spanningen zorgde, was er zeker geen sprake van improvisatie of totale onvoorbereidheid.

Documenten


Het verhaal dat de onafhankelijkheid “plotseling” kwam, lijkt vooral voort te komen uit gebrek aan systematisch archiefonderzoek. Veel betrokkenen — zowel in Suriname als in Nederland — hebben benadrukt dat het tempo hoog lag en dat niet alles perfect was uitgewerkt. Dat laatste is waar, maar het betekent niet dat er geen georganiseerde voorbereiding was.

Het Nationaal Archief bevat meer dan 40 meter aan MICOS- en ISOS-documenten (Stuurgroep Ondersteuning Suriname), aangevuld met:

  • Notulen van ministerraden;
  • Persoonlijke archieven van ministers en Kamerleden;
  • Beleidsnotities van Buitenlandse Zaken, Financiën, CRM, Justitie, Onderwijs, Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Rapportages van ontwikkelingsdeskundigen;
  • Uitkomsten van CBS-onderzoeken, bevolkingsregistraties en migratiestatistiek;
  • Enquêtes onder gemeenten en maatschappelijke organisaties over huisvesting, integratie, onderwijs en gezondheidszorg.

Wanneer deze bronnen samen worden bestudeerd, ontstaat het beeld van een overheid die vanaf midden 1974 intensief werkte aan een gecoördineerd traject richting onafhankelijkheid — niet alleen op staatsrechtelijk vlak, maar ook op sociaal, economisch en migratiegebied. Dat is iets heel anders dan het populaire idee van een “rommelige, ongeorganiseerde afscheiding”.

Enkele van de bijeenkomsten van Micos:

21 november 1974: aan de orde komen zaken als migratie en staatsrecht.

20 september 1974: een vroege MICOS-vergadering, waarin de opstart van het onafhankelijkheidstraject werd besproken

9 januari 1975: MICOS vergadert in het nieuwe jaar  om strategieën te evalueren, voortgang te bespreken, of onderdelen te coördineren met subwerkgroepen (zoals migratie of defensie).

 

De rol van MICOS: het hart van de voorbereiding


Het zwaartepunt van de voorbereiding lag bij de Ministeriële Commissie Onafhankelijkheid Suriname (MICOS). Deze commissie, samengesteld uit ministers, staatssecretarissen en topambtenaren, kwam zeer frequent bijeen, vaak meerdere keren per maand. De archiefstukken laten onder meer zien:

1.     MICOS hield zich bezig met:

  • Staatsrechtelijke overdracht;
  • Financiële afspraken;
  • De Surinaamse krijgsmacht en de afbouw van de TRIS;
  • Migratie en nationaliteitsvraagstukken;
  • Ontwikkelingshulp en verdragsmiddelen;
  • Sociaal-economische analyses van beide landen;
  • Coördinatie van communicatie tussen Den Haag en Paramaribo;
  • Voorbereidingen op juridische en consulaire veranderingen.

De breedte van het werkveld toont dat het proces grondiger was dan vaak wordt aangenomen.

2. Subwerkgroepen

Onder MICOS vielen verschillende gespecialiseerde werkgroepen, waaronder:

  • Interdepartementale Commissie Beleidscoördinatie (ICBR);
  • Werkgroepen migratie en bevolkingsregistratie;
  • Juridische werkgroepen voor nationaliteit en staatsinrichting;
  • Militaire commissies rond TRIS-afbouw en opleiding van Surinaamse militairen;
  • Onderwijskundige werkgroepen rond curricula en diploma-erkenning.

Elke werkgroep leverde rapporten, adviezen, risicoanalyses en stappenplannen.

3. Intensivering vanaf 1974

De notulen laten een duidelijke verschuiving zien:

  • In 1973 was het proces verkennend en voorzichtig;
  • Vanaf de zomer van 1974 werd de toon alerter;
  • Vanaf het najaar van 1974 werd het proces intens en systematisch.

Veel van de meest gedetailleerde documenten dateren uit juli 1974 – november 1975: precies de anderhalf jaar vóór de onafhankelijkheid.


CBS en gemeenten

CBS-regiostatistieken

Het CBS leverde:

  • Bevolkingsprognoses voor Surinaamse migratie;
  • Arbeidsmarktanalyses voor Surinamers in Nederland;
  • Scenario’s voor huisvestingsdruk in steden;
  • Sociaaleconomische profielen van vertrekkers en achterblijvers.

Deze cijfers werden door MICOS gebruikt om beleid voor huisvesting, integratie, onderwijs en sociale voorzieningen te vormen.

Gemeentelijke enquêtes van 1974

Het ministerie van CRM verstuurde enquêtes naar gemeenten zoals:

  • Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Haarlem;
  • De Bijlmermeer-administratie.

De vragen betroffen:

  • Opvangcapaciteit;
  • Beschikbaarheid van scholen;
  • Sociale ondersteuning;
  • Taalonderwijs;
  • Werkgelegenheid voor Surinaamse nieuwkomers.

De uitkomsten gingen direct naar MICOS en werden daar besproken. Dit toont aan dat de Nederlandse staat expliciet anticipeerde op migratiestromen en integratievraagstukken.

Voorbereiding in Suriname: meer dan politiek overleg

Hoewel het populaire verhaal beweert dat de Surinaamse regering van Henck Arron “zonder voorbereiding” aan de onafhankelijkheid begon, laten archieven zien dat er in Suriname diverse parallelle trajecten liepen.

Economische planning: het Essed-rapport

Het Essed-rapport beschreef een investeringsbehoefte van 8 tot 10 miljard gulden. Het was geen onderhandelingsdocument, maar een diepgaand beleidsinstrument. Het omvatte:

  • Uitgebreide economische analyses;
  • Sectorale investeringsplannen (landbouw, industrie, infrastructuur);
  • Berekeningen over onderwijs, gezondheidszorg en regionale ontwikkeling;
  • Aanbevelingen voor staatsvorming en institutionele modernisering.

Nederlandse ambtenaren noemden het “te ambitieus, maar indrukwekkend onderbouwd”.

Staatsrechtelijke voorbereiding

Suriname werkte intern aan:

  • Ontwerp-grondwetten;
  • Institutionele overdrachten;
  • Opbouw van ministeries en nieuwe departementen;
  • Voorbereiding van de Surinaamse krijgsmacht;
  • Juridisch kader voor buitenlands beleid.

Nederlandse juristen leverden assistentie via MICOS en externe adviesorganen.

Ministeriële archieven: de machine draaide op volle kracht

Persoonlijke archieven van ministers zoals Den Uyl, De Gaay Fortman, Pronk, Van der Stoel, Meijer, Duisenberg en Kleine laten zien dat er vrijwel dagelijks dossiers circuleerden over Suriname. Ministers overlegden telefonisch met Surinaamse collega’s, kregen memo’s van ambtenaren, namen deel aan bilaterale delegaties en beoordeelden juridische concepten.

Voorbeelden van intensief voorbereide thema’s:

  1. Nationaliteit: behoud of verlies van Nederlanderschap; dubbele nationaliteit.
  2. Pensioenen en sociale zekerheid: overdracht van opgebouwde rechten; afspraken over betaling en indexering.
  3. Monetaire zaken: stabilisatie van de Surinaamse gulden; afspraken met De Nederlandsche Bank.
  4. Ontwikkelingshulp: kaders voor besteding; opzet van beheersstructuren; selectie van prioritaire sectoren.

Waarom leeft het idee van overhaaste onafhankelijkheid?

EM Newsroom identificeert vier oorzaken:

  1. Politieke snelheid werd verward met inhoudelijke snelheid.
  2. Veel voorbereidingen waren niet zichtbaar voor het brede publiek.
  3. Na de militaire coup van 1980 werd de context van 1975 negatief gekleurd.
  4. Archiefmateriaal werd pas decennia later openbaar.

Conclusie

De bewering dat de onafhankelijkheid van Suriname “onvoorbereid” of “onverantwoord snel” plaatsvond, is historisch onjuist wanneer men de beschikbare archieven zorgvuldig bestudeert.

Feiten:

  • Nederland werkte vanaf 1973 structureel aan een onafhankelijkheidsstrategie.
  • Vanaf 1974 nam het tempo van voorbereiding sterk toe; de coördinatie werd uitzonderlijk intens.
  • MICOS en suborganen produceerden tientallen dossiers, rapporten en risicoanalyses.
  • CBS-statistieken, lokale enquêtes en beleidsstudies werden bewust ingezet voor migratie, huisvesting, onderwijs en arbeidsmarkt.
  • Suriname werkte aan economische plannen, staatsinrichting, militaire opbouw en institutionele structuren.
  • Het idee van een “overhaaste” onafhankelijkheid komt vooral voort uit latere politieke beeldvorming.

De onafhankelijkheid van 1975 was geen sprong in het duister, maar het resultaat van anderhalf jaar intensieve voorbereiding, overleg, analyses en systematisch beleid — aan beide zijden van de oceaan.

 

 

Foto 2:

Het standbeeld van Koningin Wilhelmina wordt een dag voor de ondertekening  van de Akte van Erkenning van de Republiek Suriname verwijderd van Oranjeplein te Paramaribo

Foto Nationaal Archief/ Fotograaf Verhoeff, Bert / Anefo

 

Foto 1:

Persconferentie van Premier Henck Arron op Schiphol in 1974 samen met ministers van Surinaamse en Nederlandse zijde.

Foto Nationaal Archief/ Fotograaf Rob Mieremet, Anefo

Populaire posts van deze blog