Tweede brief uit Washington aan
Jankie
Suriname nog niet klaar met antwoord
De Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten
van de Mens (IACHR) heeft de zaak van Mahin Jankie en anderen tegen de staat
Suriname in een beslissende fase gebracht. In een tweede brief aan Jankie laat
de Commissie weten dat zaak 13.305 procedureel klaar is voor de inhoudelijke
beoordeling. Daarmee kan de IACHR op basis van het bestaande dossier een
beslissing nemen over zowel de ontvankelijkheid als de kern van de zaak.
Volgens de brief van de Commissie bevindt de zaak
zich nu in de zogenoemde “merits stage”. Dat betekent dat de IACHR kan oordelen
over de vraag of er daadwerkelijk sprake is van schending van mensenrechten in
relatie tot de rechten die volgens Jankie voortvloeien uit de
Toescheidingsovereenkomst (TO) tussen Nederland en Suriname.
Tweede brief
markeert nieuwe stap
In de nieuwe brief schrijft de IACHR aan Jankie
dat hij nog een officiële mededeling zal ontvangen waarin de ontvangst van zijn
communicatie wordt bevestigd en waarin ook de procedurele status van de zaak
wordt aangegeven. Vooruitlopend daarop meldt de Commissie nu al dat het dossier
gereed is voor behandeling in de fase van inhoudelijke beoordeling.
Daarmee komt de jarenlange procedure in een
nieuwe en potentieel doorslaggevende fase terecht. De Commissie kan nu, op
basis van alle informatie in het dossier, een beslissing nemen. Zodra dat
gebeurt, zal Jankie daarvan in kennis worden gesteld.
Kern van het
geschil
De zaak draait om de uitleg en toepassing van de
Toescheidingsovereenkomst van 1975, gesloten rond de onafhankelijkheid van
Suriname. Jankie en anderen stellen dat zij op grond van die overeenkomst het
recht hebben om zich zonder visum, toeristenkaart of andere entreevoorwaarden
naar Suriname te begeven en daar in alle opzichten als Surinaamse staatsburgers
te worden behandeld.
Volgens hen respecteert de Surinaamse staat deze
rechten niet volledig. Daarbij wordt gewezen op beperkingen rond gelijke
behandeling, politieke participatie en rechtsbescherming.
Het Hof van Justitie van Suriname heeft in een
arrest uit 2007 bepaald dat de rechten die artikel 5 van de TO toekent, ook
gelden voor Jankie (en gezin) en anderen en nog steeds rechtskracht hebben. Dit
in tegenstelling tot het toenmalige standpunt van de Surinaamse regering.
Het gaat er in feite om dat IACHR-OAS beoordeelt of
Suriname zich als rechtsstaat houdt aan een uitspraak van zijn hoogste rechter,
het Hof van Justitie van Suriname.
Dit hof heeft op 3 augustus 2007 (GR-14155,
gepubliceerd in het Surinaams Juristenblad 2007-2) bepaald dat artikel 5 lid 2
en 3 nog steeds geldig zijn. Daarmee wees het hof de eerdere opvatting van de Surinaamse
regering en haar adviseur, Alwin Baarh, af dat deze rechten al in 1986 zouden
zijn vervallen.
Het probleem is dat de toenmalige Surinaamse regering
deze uitspraak niet heeft uitgevoerd.
Verder wordt verwezen naar de toelichting (annotatie)
van Arti Jankie in het Surinaams Juristenblad 2007-3 en 2008-1.
Lange weg
sinds 2005
De zaak ligt al sinds 2005 bij de IACHR. Nadat
Jankie stelde dat in Suriname geen effectief rechtsmiddel openstond om zijn
rechten af te dwingen, diende hij samen met anderen een klacht in bij de
mensenrechtencommissie van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS).
Eerder was al bekendgemaakt dat de Commissie de
zaak ontvankelijk had verklaard. Met deze tweede brief wordt nu duidelijk dat
het dossier volgens de IACHR procedureel zover is gevorderd dat een inhoudelijk
oordeel dichterbij komt.
Reactie
Surinaamse ambassade
De Surinaamse ambassadeur in Nederland, Ricardo
Panka, zegt in reactie op vragen van EM Newsroom dat Jankie gebruik heeft
gemaakt van zijn recht om de zaak verder te laten beoordelen door de IACHR.
De heer Jankie heeft gebruik gemaakt van zijn
recht om de zaak verder te laten beoordelen door het IACHR. Wij zien uit naar
het eindoordeel.
Jankie heeft in maart 2026 de Surinaamse
ambassade in Den Haag gevraagd om duidelijkheid over zijn recht om samen met
zijn gezin zonder visum, toeristenkaart of andere entreevoorwaarden naar
Suriname te reizen. Hij en zijn gezinsleden willen in Suriname in alle
opzichten als Surinaams staatsburger worden behandeld. Jankie beroept zich
daarbij op bepalingen uit de Toescheidingsovereenkomst van 1975 en eerdere
rechterlijke uitspraken. Jankie wenst van de ambassade een formele beschikking
of standpuntbepaling te krijgen, zodat duidelijk is welke rechtspositie de
Republiek Suriname inneemt. Gelet op zijn voorgenomen reis wenst hij deze
duidelijkheid binnen 30 dagen te krijgen.
Over het verzoek van Jankie om met zijn gezin
visumvrij en zonder entree fee naar Suriname te reizen, zegt Panka dat dit
schrijven is doorgestuurd naar Paramaribo. Gezien de aard van het schrijven,
waarbij verwezen wordt naar de Toescheidingsovereenkomst, is het van belang dat
het goed wordt bestudeerd door terzake deskundigen, zegt de ambassadeur. Naar
de redactie verneemt, moet Jankie zijn familiebezoek (vakantie) naar Suriname
langer uitstellen, omdat de reactie in Paramaribo nog zorgvuldig wordt
bestudeerd.
