Cocaïneroutes
verschuiven: Suriname en Caribisch gebied minder zichtbaar, Zuid-Amerika
nadrukkelijker in beeld
De internationale cocaïnehandel richting
Nederland is in beweging. Uit de nieuwste Monitor Georganiseerde Criminaliteit
van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat
Suriname en delen van het Caribisch gebied in recente opsporingsdossiers
nauwelijks nog voorkomen, terwijl Zuid-Amerika juist sterker naar voren komt
als vertrek- en herkomstregio. Die verschuiving betekent niet dat oude routes
zijn verdwenen, maar dat ze minder zichtbaar zijn in het huidige
opsporingsbeeld.
(Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum
(WODC), Kennisinstituut voor de rechtsstaat, is een onaankelijk
kennisinstituut dat valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid).
Suriname raakt
uit zicht in recente dossiers
In eerdere rondes van de Monitor speelde Suriname
regelmatig een rol als vertrekpunt of transitland voor cocaïne richting
Nederland. In oudere zaken ging het om smokkel via zeecontainers, luchtvracht
of postpakketten. In de zesde monitorronde ontbreken zulke casussen echter
vrijwel volledig.
Volgens het WODC moet dit vooral worden gelezen
als een verandering in wat opsporingsdiensten aantreffen. Criminele
samenwerkingsverbanden passen hun routes en werkwijzen voortdurend aan. Wanneer
controles worden aangescherpt of samenwerking wordt geïntensiveerd, kan een
land tijdelijk uit beeld raken zonder dat de smokkel daar ophoudt.
Caribisch
gebied: minder zichtbaar, niet verdwenen
Hetzelfde patroon geldt voor het Caribisch
gebied. Eilanden als Curaçao en Aruba fungeerden in het verleden regelmatig als
tussenstation: cocaïne werd vanuit Colombia of Venezuela naar het Caribisch
gebied gebracht en vandaar per vliegtuig of zeiljacht naar Nederland vervoerd.
In één historische zaak ging het om meer dan duizend kilo cocaïne die via een
jacht Europa bereikte.
In de meest recente dossiers komen zulke routes
nauwelijks nog voor. Het rapport suggereert dat strengere controles op
Caribische luchthavens en havens hebben bijgedragen aan deze verschuiving in
zichtbaarheid. Het Caribisch gebied is daarmee niet per definitie uit de keten
verdwenen, maar speelt in de huidige opsporingsonderzoeken een minder
prominente rol.
Zuid-Amerika
wordt het zwaartepunt
Waar Suriname en het Caribisch gebied aan
zichtbaarheid inboeten, komt Zuid-Amerika juist nadrukkelijker naar voren. De
productie van cocaïne concentreert zich nog altijd in landen als Colombia, Peru
en Bolivia, terwijl ook doorvoer- en vertreklanden als Brazilië, Ecuador en
Venezuela een belangrijke rol spelen.
Recente zaken hebben vrijwel uitsluitend
betrekking op smokkel via zeehavens. Grote partijen cocaïne worden in
containers verstopt tussen legale dekladingen, zoals fruit of houtskool, en
rechtstreeks naar Europa verscheept. Rotterdam en Antwerpen fungeren daarbij
als belangrijke knooppunten. De onderschepte hoeveelheden variëren van enkele
honderden kilo’s tot zendingen van meer dan 16.000 kilo.
Opvallend is dat criminele netwerken steeds vaker
meerdere Zuid-Amerikaanse landen combineren binnen één logistiek traject. Die
routevariatie bemoeilijkt het traceren van herkomst en vergroot de kans dat
zendingen controles ontwijken.
Een adaptieve
smokkelketen
De afnemende zichtbaarheid van Suriname en het
Caribisch gebied onderstreept een bredere conclusie van het WODC:
georganiseerde criminaliteit is sterk adaptief. Routes verschijnen en
verdwijnen uit opsporingsdossiers, afhankelijk van waar de druk het grootst is.
Dat geldt ook voor nieuwe of hernieuwde transitroutes, zoals via West-Afrika,
die in het rapport worden genoemd als aandachtspunt voor opsporingsdiensten.
Voor Nederland betekent dit dat de focus van
opsporing voortdurend meebeweegt met de internationale dynamiek. Waar de
aandacht eerder vaak uitging naar Caribische en Surinaamse verbindingen, ligt
de nadruk nu sterker op directe maritieme routes vanuit Zuid-Amerika. De
cocaïnestromen veranderen van koers, maar hun bestemming blijft dezelfde: de
Europese markt, met Nederland als belangrijk toegangspunt.
