Rabin Parmessar zet in redevoering alles op
tafel: justitiehervorming, macht en controle
Rabin Parmessar, fractieleider van de NDP en
voorzitter van de Commissie van Rapporteurs, heeft deze week in De Nationale
Assemblee een uitvoerige en inhoudelijk zware toelichting gegeven op
ingrijpende voorgestelde grondwetswijzigingen. De voorstellen moeten de weg
vrijmaken voor twee fundamentele institutionele hervormingen: de invoering van
cassatierechtspraak via een derde rechterlijke instantie en een
herstructurering van het Openbaar Ministerie (OM).
In zijn toespraak ging Parmessar diep in op de
constitutionele, juridische en maatschappelijke implicaties van deze
hervormingen en plaatste hij de voorstellen expliciet in het kader van
versterking van de rechtsstaat, checks and balances en modernisering van
staatsinstituten. De bijdrage markeert een belangrijk moment in het
parlementaire debat over de toekomst van de Surinaamse rechtsorde.
Gezien het grote maatschappelijke belang van deze
voorstellen en het gewicht van de uiteenzetting van Parmessar, publiceert EM
Newsroom de volledige toespraak van de voorzitter van de Commissie
van Rapporteurs, onverkort en integraal.
Hieronder volgt de toespraak:
Voorzitter, de volgende initiatiefwetten zijn ingediend:
-
houdende
nadere wijziging van het Reglement
op
de Inrichting en de Samenstelling van de
Rechterlijke
Macht (G.B. 1935 no. 79, zoals
laatstelijk
gewijzigd bij S.B. 2009 no. 33);
-
houdende
wijziging van de Wet Rechtspositie
Rechterlijke Macht (S. B. 2024 no.
158);
-
houdende nadere
wijziging van de Grondwet
van de Republiek
Suriname (S.B. 1987 no. 116,
zoals laatstelijk
gewijzigd bij S.B. 2023 no. 157);
-
houdende nadere wijziging van de Grondwet
van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116)
zoals laatstelijk gewijzigd bij (S.B. 2023 no. 157).
Initiatiefvoorstellen ingediend d.d. donderdag 11 december 2025 door de leden E. Jones, D. Vorswijk, I. Plein, X. Zheng, R. Asabina en S. Reyme
Deze initiatiefwetten hebben als doel:
- de wijziging van het Reglement op de Inrichting en de Samenstelling van de Rechterlijke Macht (G.B. 1935 no. 79, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2009 no. 33) ertoe strekt dat het advies binnen een redelijke termijn door het Hof van Justitie uitgebracht wordt, nadat daartoe door de Regering overeenkomstig de Grondwet (artikel 141 lid 2) advies is gevraagd aangaande benoeming van een lid van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast (zittende magistratuur) en de Procureur-Generaal;
- de wijziging van de Wet Rechtspositie Rechtelijke Macht (S.B. 2024 no. 158) noodzakelijk is om “de wet in overeenstemming te brengen met de Grondwet” en zo de onafhankelijkheid van het ambt van de Procureur-Generaal te waarborgen en de verhouding in pensioengerechtigde leeftijd tussen de zittende en staande magistratuur wederom in balans te brengen;
- de nadere wijziging van de Grondwet van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2023 no. 157) houdende erkenning van de Inheemsen Volken tot eerste bewoners van Suriname. Ook gezien het feit dat in de Grondwet tot nu toe hun aanwezigheid en rol in de vorming van Suriname historisch onbetwist is;
-
de nadere
wijziging van de Grondwet van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116, zoals
laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2023 no. 157) houdende instellen
Cassatierechtspraak (Hoge Raad) van belang is om de rechtszekerheid in de
rechtspraak te vergroten, de kwaliteit van de rechtspraak te bewaken (door
uniformiteit en correcte toepassing van het recht te garanderen) en de
controleerbaarheid en acceptatie van uitspraken te verbeteren, wat zal leiden
tot een meer onafhankelijke en betrouwbare rechterlijke macht en de naleving
van fundamentele procesrechten (zoals motivering en juiste samenstelling van
rechters).
De CvR heeft op maandag 15 december 2025 hebben enkele commissieleden samen met de voorzitter een inventarisatie
gemaakt van de actoren en stakeholders die in het kader van de behandeling van
voornoemde initiatiefvoorstellen zullen worden gehoord, waarna op dinsdag 16 december 2025 tijdens de Cie vergadering de voorgestelde stakeholders zijn vastgesteld.
Ten aanzien van het initiatiefvoorstel strekkende tot erkenning van
Inheemsen door opname in de preambule van de Grondwet, is aangegeven dat deze
erkenning in belangrijke mate een symbolisch karakter draagt.
Voorts heeft de CvR op woensdag
17 december 2025 vergaderd met de
initiatiefnemers, waarbij het doel van de vergadering was het verkrijgen van
duidelijke, onderbouwde en juridisch verantwoorde inzichten van de
initiatiefnemers met betrekking tot de noodzaak van de voorgestelde
wetswijzigingen, alsmede een toelichting op de aard, reikwijdte, inhoud en
mogelijke gevolgen daarvan. Benadrukt was dat de leden van de CvR volledig en
zorgvuldig geïnformeerd dienen te worden over de strekking, achtergrond,
onderlinge samenhang en constitutionele en maatschappelijke implicaties van
deze wetsvoorstellen.
Toelichting door de
initiatiefnemers – Wijziging van de Grondwet (Preambule)
De initiatiefnemers brengen met betrekking tot de voorgestelde wijziging
van de Preambule van de Grondwet onder meer het volgende naar voren. Gesteld
wordt dat de Preambule een normatieve functie vervult binnen het
constitutionele bestel en dat de voorgestelde wijziging beoogt:
- constitutionele
erkenning te geven aan de oorspronkelijke bewoners van Suriname;
-
een duidelijk
interpretatiekader te bieden aan de rechterlijke macht.
Voorts wordt benadrukt dat de Preambule geen subjectieve rechten creëert
en geen zelfstandige rechtsgrondslag vormt, maar uitsluitend een normatief
kader schept. Maatschappelijke discussie wordt erkend als onderdeel van het
wetgevingsproces, maar mag volgens de initiatiefnemers niet leidend zijn voor
de inhoud van wetgeving. De voorgestelde wijziging moet volgens hen worden
gezien als een principiële en symbolische verankering van een fundamentele
historische realiteit.
Ter ondersteuning werd verwezen naar rechtsvergelijkende voorbeelden uit
onder meer Bolivia, Mexico, Peru en Guyana, waar de positie van inheemse
volkeren constitutioneel is erkend. Guyana wordt daarbij genoemd als het meest
vergelijkbare land, onder andere vanwege het bestaan van een specifiek
ministerie belast met inheemse zaken. Tegelijkertijd wordt onderkend dat de
context verschilt, nu in genoemde landen de inheemse bevolking veelal de
dominante bevolkingsgroep vormt.
Na discussies tussen de Cie leden en de initiatiefnemers werd geconcludeerd dat de eerste passage van de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Preambule van de Grondwet dient te worden aangepast en dat onnodige uitgebreidheid moet worden vermeden.
De Commissie is het erover eens dat de toelichting helder, juridisch
correct en ondubbelzinnig dient te zijn. Daarnaast werd voorgesteld om in de
wijzigingswet RIS termijnen op te nemen in kalenderdagen (bijvoorbeeld 30 dagen)
in plaats van werkdagen. De Commissie bereikt overeenstemming met de
initiatiefnemers dat de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de
Grondwet (Preambule) zal worden aangepast en dat daartoe een amendement zal
worden ingediend door de initiatiefnemers. Daarbij wordt bevestigd dat
expliciet zal worden vermeld dat de voorgestelde wijziging uitsluitend een
normatief en symbolisch karakter heeft, geen afdwingbare rechten schept en
uitsluitend betrekking heeft op de oorspronkelijke bewoners.
Op donderdag 18 december
2025 is de CvR bijeengekomen voor een inhoudelijk
overleg met de President van het Hof van Justitie en de Procureur-Generaal bij
het Openbaar Ministerie, om hun inzichten en zienswijze op de voorliggende
initiatiefvoorstellen, mede ter ondersteuning van de verdere parlementaire
behandeling.
Inzichten van het HvJ
De president van het HvJ wees
erop dat het Hof de Commissie reeds schriftelijk had voorzien van een
uitgebreide uiteenzetting, vergezeld van diverse bijlagen. Onder deze bijlagen
bevond zich onder meer een door het Hof geïnitieerde studie inzake de invoering
van een derde rechterlijke instantie, welke tot stand was gekomen in
samenwerking met de Hoge Raad en een breed samengestelde groep van
strafrechtelijk, civielrechtelijk en constitutioneel georiënteerde juristen.
Deze studie, die ongeveer een jaar eerder was aangevangen, had tot doel het
parlement te ondersteunen bij de beoordeling van het rechtssysteem, de
organisatie en inrichting van de rechterlijke macht en de versterking van de
rechtsbescherming van burgers.
De president van het HvJ benadrukte dat de studie zich uitsluitend
richtte op de rechterlijke organisatie en in het bijzonder op de invoering van
een derde rechterlijke instantie. Hij gaf aan dat het Hof reeds geruime tijd
voorstander is van de invoering van een derde instantie, aangezien Suriname op
dit punt achterloopt ten opzichte van zowel de regio als de internationale
rechtsontwikkeling.
De kern van cassatie, zo lichtte hij toe, is gelegen in rechtsbescherming
en rechtsontwikkeling, waarbij niet opnieuw feiten worden vastgesteld, maar
uitsluitend wordt getoetst of het recht door de rechter in feitelijke instantie
(de kantonrechter of het Hof van Justitie) correct is toegepast.
In dat verband werd uiteengezet dat cassatie slechts twee mogelijke
uitkomsten kent, te weten vernietiging van de uitspraak wegens een onjuiste
rechtsopvatting of bevestiging van de uitspraak indien het recht juist is
toegepast. De president wees erop dat deze vorm van toetsing niet alleen
bijdraagt aan rechtszekerheid voor burgers, maar ook een lerend effect heeft
voor de rechterlijke macht als geheel.
Voorts ging de president in op de verschillende modellen die denkbaar
zijn voor de inrichting van een derde instantie. Daarbij werd gewezen op de
mogelijkheid van het instellen van een eigen nationale cassatie-instantie, maar
ook op aansluiting bij het Caribbean Court of Justice. Hij benadrukte dat de
keuze hiervoor uiteindelijk een politieke is, die grondwettelijk moet worden
verankerd, waarbij het mogelijk is om in de Grondwet ruimte te laten en de
nadere uitwerking in organieke wetgeving te regelen.
Inzichten van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal lichtte toe dat het algemeen vervolgingsbeleid
constitutioneel de verantwoordelijkheid van de regering is, maar dat het
Openbaar Ministerie werkt met interne richtlijnen ter waarborging van een
uniforme en consistente praktijk. Zij gaf aan dat deze richtlijnen onder meer
betrekking hebben op buitengerechtelijke afdoening en openbaar toegankelijk
zijn.
Erkend werd dat vertragingen vaak hun oorsprong vinden in de voorfase,
met name bij de politie, waar de kwaliteit van processen-verbaal niet in alle
gevallen toereikend is. De Procureur-Generaal gaf aan dat het Openbaar
Ministerie voortdurend overleg voert met de politie en investeert in
richtlijnen, begeleiding en opleiding, teneinde de kwaliteit van het
strafproces te verbeteren. In de verdere gedachtewisseling kwam ook de
constitutionele positie van het Openbaar Ministerie aan de orde.
Daarbij werd benadrukt dat het Openbaar Ministerie niet belast is met
rechtspraak en dat constitutionele helderheid vereist is om verwarring en
vervuiling van de Grondwet te voorkomen.
Tegelijkertijd werd onderkend dat, ongeacht de gekozen positionering, de
onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie gewaarborgd moet blijven, terwijl
tevens een zekere vorm van democratische verantwoording noodzakelijk is. Zowel
de president van het Hof als de Procureur-Generaal gaven aan het belang te
onderschrijven van zorgvuldige en evenwichtige grondwettelijke formuleringen.
Op maandag 22
december 2025 heeft de CvR een vergadering
gehouden met het Ministerie van Justitie en Politie, de Anton de Kom
Universiteit van Suriname, het Centrum voor Democratie en Rechtspleging (CDR),
de Surinaamse Orde van Advocaten (SOVA), de Surinaamse Notariële Beroepsorganisatie
(SNB) en de Surinaamse Juristenvereniging.
Inbreng Ministerie van Justitie en
Politie
Namens het ministerie werd uiteengezet dat de voorliggende ontwerpwetten
wetstechnisch waren gescreend door het Bureau Wetgeving. Daarbij werd
aangegeven dat, deze zowel in hard copy als digitaal beschikbaar konden worden
gesteld. De vertegenwoordiger benadrukte dat het ministerie zich vooralsnog
uitsluitend had gericht op de wetstechnische aspecten van de
initiatiefvoorstellen en dat geen inhoudelijke beleidsmatige beoordeling was
verricht.
Standpunt Orde van Advocaten
De initiatiefvoorstellen zijn ingrijpende wijzigingen in het Surinaamse
rechtsbestel.
Ten aanzien van het voorstel tot invoering van een derde rechterlijke instantie gaf de Orde aan voorstander te zijn van een cassatierechter. Binnen de Orde is reeds eerder een interne discussie gestart, hetgeen heeft geleid tot de instelling van een commissie “derde instantie”.
In een tussentijdse rapportage aan de Algemene Ledenvergadering is
aangegeven dat er twee mogelijke modellen bestaan, te weten de instelling van
een nationale Hoge Raad dan wel aansluiting bij de Caribische Hofstructuur
(CCJ). De Orde benadrukte echter dat hierover verdere discussie noodzakelijk
is.
Met betrekking tot het voorstel tot instelling van een College van
Procureurs-Generaal stelde de Orde dat de onderbouwing in het wetsontwerp
onvoldoende is om te kunnen beoordelen of de voorgestelde wijziging
noodzakelijk en effectief is. Het ontwerp geeft geen inzicht in de bestaande
knelpunten binnen het Openbaar Ministerie en laat na te motiveren waarom een
college van twee tot vier Procureurs-Generaal een oplossing zou bieden. Daarbij
werd tevens gewezen op het ongebruikelijke karakter van een even aantal leden
en op mogelijke verschillen tussen het Nederlandse en Surinaamse rechtssysteem,
aangezien het model vermoedelijk is ontleend aan het Nederlandse stelsel.
Ten aanzien van het voorstel tot vaststelling van een adviestermijn van
dertig dagen voor het Hof van Justitie gaf de Orde aan geen principiële
bezwaren te hebben, maar wel vragen te stellen over de samenhang met het
voorstel tot invoering van een derde instantie. Onduidelijk is of de
adviesbevoegdheid bij het Hof zou blijven of zou verschuiven naar een nieuwe
hoogste rechterlijke instantie.
Wat betreft de verlaging van de pensioenleeftijd van de
Procureur-Generaal van zeventig naar vijfenzestig jaar stelde de Orde dat het
wetsontwerp onvoldoende motiveert waarom deze wijziging noodzakelijk is, temeer
daar de eerdere verhoging juist was ingegeven door capaciteitsproblemen.
Standpunt Surinaamse Notariële
Beroepsorganisatie (SNB)
Ten aanzien van de invoering van cassatierechtspraak werd gewezen op de
beperkte schaal en capaciteit van de Surinaamse rechterlijke macht. Volgens de
SNB zou een derde instantie de werkdruk verder verhogen en mogelijk leiden tot
langere doorlooptijden, hetgeen de rechtszekerheid van burgers in gevaar kan
brengen.
Daarbij werd gewezen op de reeds bestaande achterstanden en de extra
belasting die de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek met zich
meebrengt. Met betrekking tot de verlaging van de pensioenleeftijd werd
eveneens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing bekritiseerd. De SNB
stelde dat juist ervaren krachten nodig zijn binnen het rechtsbestel en dat het
voortijdig laten uitstromen van deskundigen niet wenselijk is zolang sprake is
van capaciteitsproblemen.
Ten aanzien van het College van Procureurs-Generaal werd de vraag gesteld
welk concreet probleem met deze wijziging wordt opgelost. Volgens de SNB zou
versterking van het Openbaar Ministerie eerder gezocht moeten worden in
uitbreiding van de personele capaciteit op operationeel niveau, waaronder
officieren van justitie en gespecialiseerde deskundigen.
Ten aanzien van de adviestermijn van dertig dagen werd betoogd dat deze
termijn het constitutionele evenwicht tussen staatsmachten kan aantasten en dat
het risico bestaat dat de kwaliteit van advisering door het Hof onder druk komt
te staan.
Standpunt CDR
Namens het CDR werd aangegeven dat het instituut, gelet op zijn
doelstelling om een platform te bieden voor kennisdeling binnen juridische
beroepsgroepen, graag een faciliterende rol wil spelen.
Het CDR stelde voor om, in samenwerking met het parlement en de betrokken
beroepsgroepen, een symposium of conferentie te organiseren waarin de
verschillende visies op de voorgestelde wijzigingen systematisch kunnen worden
verzameld.
Op dinsdag 23
december 2025 is de CvR bijeengekomen met de
heer Armand van der San en mevrouw Van Dijk-Silos.
Mevrouw Van Dijk-Silos gaf aan dat de rechterlijke macht in Suriname
lange tijd als een onaantastbaar instituut werd beschouwd, waardoor
fundamentele discussies over functioneren, structuur en onafhankelijkheid
werden vermeden.
Mevrouw Van Dijk-Silos benadrukte dat wetgeving die rechtstreeks raakt
aan de rechtsstaat helder, zorgvuldig en diepgaand gemotiveerd dient te zijn.
Zij stelde vast dat de memorie van toelichting onvoldoende inging op de
onderliggende structurele problemen binnen de rechtspleging en onvoldoende
onderbouwde waarom juist deze wijzigingen noodzakelijk zouden zijn. Daarbij
merkte zij op dat wezenlijke knelpunten, zoals de samenhang binnen de
rechtsketen en de effectieve waarborging van rechterlijke onafhankelijkheid,
onvoldoende werden geadresseerd.
Dhr. Armand van der San sloot zich in grote lijnen aan bij de waardering
voor het initiatief, maar uitte eveneens kritiek op de inhoudelijke en
wetstechnische kwaliteit van de voorstellen. Hij benadrukte dat onderscheid
moet worden gemaakt tussen vervolgingsbeleid en de daadwerkelijke vervolging.
Onder verwijzing naar artikel 148 van de Grondwet stelde hij dat het vervolgingsbeleid
berust bij de regering, hetgeen impliceert dat de regering gehouden is dit
beleid helder te formuleren en daarover in overleg te treden met het Openbaar
Ministerie.
Volgens hem ontbreekt het in de praktijk aan een duidelijk, schriftelijk
vastgelegd vervolgingsbeleid, hetgeen leidt tot onduidelijkheid en spanningen
binnen de rechtspleging.
Met betrekking tot de voorgestelde instelling van een Hoge Raad wees de
heer Van der San op de bijzondere positie en taak van dit rechtscollege. Hij
waarschuwde ervoor dat onvoldoende onderscheid werd gemaakt tussen de
procureur-generaal bij het Hof van Justitie en een eventuele procureur-generaal
bij de Hoge Raad, terwijl deze functies wezenlijk van elkaar verschillen in
aard en bevoegdheden.
Hij benadrukte dat de rol van de procureur-generaal en de advocaat-generaal bij de Hoge Raad een eigenstandig karakter heeft, gericht op juridische advisering en rechtsontwikkeling, en niet gelijkgesteld kan worden aan de bestaande vervolgingspraktijk.
Tijdens de gedachtewisseling werd door verschillende commissieleden
ingegaan op de positie van de staande magistratuur en de vraag in hoeverre deze
als onderdeel van de rechterlijke macht moet worden beschouwd. Daarbij kwam aan
de orde dat binnen de rechtsleer en de praktijk uiteenlopende opvattingen
bestaan, en dat de verhouding tussen de regering en het Openbaar Ministerie
zorgvuldig moet worden afgebakend om zowel onafhankelijkheid als democratische
legitimatie te waarborgen.
Op woensdag 24 december
2025 vond een vergadering plaats in hybride vorm,
waarbij deelnemers zowel fysiek als via een digitale verbinding aanwezig waren.
Aan de bespreking namen als externe deskundigen deel dhr. Hugo Fernandes
Mendes, prof. de Boer en dhr. Eugene van der San, die vanuit hun academische en
praktijkervaring hun inzichten hebben gedeeld.
Bespreking van de voorgestelde
grondwetswijzigingen
Tijdens de vergadering heeft Hugo Fernandes Mendes stilgestaan bij de
inhoud en reikwijdte van de voorgestelde grondwetswijzigingen, in het bijzonder
waar deze betrekking hebben op de instelling van een tweede rechterlijke
instantie en de introductie van een College van procureurs-generaal. Hij uitte
zijn zorg over de wijze waarop bepaalde kernbegrippen, waaronder het begrip
cassatie, in de voorstellen zijn geformuleerd. Volgens hem ontbreekt het aan
voldoende constitutionele precisie, hetgeen kan leiden tot
interpretatieproblemen en rechtsonzekerheid.
Prof. de Boer onderschreef deze opvatting en benadrukte dat
grondwetswijzigingen het risico in zich dragen dat structurele
onevenwichtigheden ontstaan binnen het staatsbestel.
Leeftijdsgrens en rechtspositie van
leden van de rechterlijke macht
Een belangrijk onderdeel van de discussie betrof de leeftijdsgrens van 70
jaar voor rechters en de procureur-generaal. Prof. de Boer benadrukte dat deze kwestie niet
los kan worden gezien van de constitutionele status van de rechterlijke macht.
Hij wees erop dat eerdere wettelijke regelingen, met name de wetgeving
uit 2000, elementen bevatten die mogelijk strijdig zijn met de Grondwet, onder
meer doordat daarin de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie in één
kader zijn geplaatst.
Pensioenregeling en presidentiële
bevoegdheden
De vergadering besteedde tevens aandacht aan de pensioenregeling voor
rechters en de rol van de president bij het nemen van besluiten die raken aan
de rechtspositie van leden van de rechterlijke macht. Daarbij werd gewezen op
recente resoluties uit 2024, die volgens de aanwezige deskundigen spanning
oproepen met bestaande personeelswetten en constitutionele beginselen. De
daaropvolgende presidentiële besluiten in 2025 werden besproken in het licht
van de noodzaak om
gerechtelijke aangelegenheden via formele wetgeving te reguleren, in
plaats van via ad-hoc maatregelen.
Institutionele hervormingen en rol
van het Hof van Justitie
In het kader van bredere justitiële hervormingen werd gesproken over de
rol van het Hof van Justitie en de mogelijke instelling van een
Hooggerechtshof. Daarbij werd benadrukt dat een dergelijke hervorming slechts
kan slagen indien de bevoegdheden, samenstelling en toezichtmechanismen
duidelijk en uitputtend wettelijk worden vastgelegd. Dhr. Eugene van der San
bracht naar voren dat het toezicht op rechters strikt begrensd dient te blijven
tot ernstige integriteitsschendingen, teneinde te voorkomen dat de rechterlijke
onafhankelijkheid wordt ondermijnd.
Structuur en onafhankelijkheid van
het Openbaar Ministerie
De vraag of gekozen moet worden voor één procureur-generaal dan wel een
College van procureurs-generaal werd uitvoerig besproken. De deskundigen
benadrukten dat uit de toelichting op de voorstellen onvoldoende blijkt welk
concreet probleem met deze wijziging wordt beoogd te worden opgelost.
Hugo Fernandes Mendes en Eugene van der San wezen erop dat vergelijkingen
met het Nederlandse stelsel slechts beperkt bruikbaar zijn, gelet op de
schaalgrootte en institutionele context van Suriname.
Schriftelijk advies van dhr. H.
Fernandes Mendes
Met betrekking tot de voorgestelde wijziging van de preambule van de
Grondwet, waarin inheemse volken worden erkend als oorspronkelijke bewoners,
merkt dhr Fernandes Mendes op dat deze erkenning als
feitelijke constatering op zichzelf geen bezwaar oproept. Tegelijkertijd
waarschuwt hij dat de memorie van toelichting aan de preambule een vergaande
juridische werking toekent die constitutioneel risicovol is. De preambule heeft
naar zijn oordeel geen directe rechtskracht en kan geen zelfstandige rechten of
plichten scheppen.
Door haar te presenteren als juridisch ankerpunt voor wetgeving, beleid
en rechtspraak wordt de indruk gewekt dat voor bepaalde groepen burgers een
andere constitutionele bescherming zou gelden, hetgeen op gespannen voet staat
met het gelijkheidsbeginsel en het uitgangspunt dat Suriname één natie vormt.
De adviseur stelt dat de rechtspositie van inheemse volken beter via gewone
wetgeving kan worden geregeld en waarschuwt dat constitutionalisering op deze
wijze juist tot juridisering, maatschappelijke onrust en vertraging kan leiden.
Ten aanzien van de invoering van cassatierechtspraak spreekt hij zijn
instemming uit met het doel om te komen tot een hoogste rechter die toeziet op
de juiste toepassing en uitleg van het recht, hetgeen de rechtsbescherming
aanzienlijk zou versterken. Hij wijst erop dat Suriname binnen Caricom een
uitzonderingspositie inneemt met slechts één beroepsinstantie. Wel acht hij de
motivering in de memorie van toelichting onvoldoende en adviseert hij deze
nader te onderbouwen. Hij bepleit dat de Grondwet ruimte laat voor
verschillende institutionele modellen voor de hoogste rechter, waaronder ook
aansluiting bij internationale of regionale instanties, en adviseert daarom om
nationaliteits- en woonplaatsvereisten uit de Grondwet te schrappen. Verder
wordt gewezen op de mogelijkheid om de cassatierechter finale beslissingen te
laten nemen om vertraging en overbelasting van het Hof van Justitie te
voorkomen.
Met betrekking tot het voorgestelde College van Procureurs-Generaal
concludeert de adviseur dat deze ingrijpende wijziging onvoldoende is
gemotiveerd.
Tot slot merkt hij op dat de voorgestelde termijn waarbinnen het Hof van
Justitie advies moet uitbrengen bij benoemingen te kort is om tot een
zorgvuldig oordeel te komen en pleit hij voor een ruimere of verlengbare
termijn. Tevens corrigeert hij een onjuiste weergave in de memorie van
toelichting over de ontslagbevoegdheid van de regering, waarbij hij benadrukt
dat ontslag van leden van de rechterlijke macht uitsluitend op voordracht van
het Hof van Justitie kan plaatsvinden.
Op dinsdag 06
januari 2026 heeft de CvR wederom een vergadering
gehouden waarbij het belang, die was belegd ter voorbereiding op het symposium
dat op donderdag 22 januari 2026 zal worden georganiseerd door het Hof van
Justitie in samenwerking met De Nationale Assemblée werd benadrukt. Dit
symposium staat in het teken van de modernisering van de Rechterlijke Macht en
beoogt een inhoudelijke gedachtewisseling over de ingediende initiatiefwetten
mogelijk te maken.
Advies van dhr. S. Gangarampanday
Hij plaatst allereerst kanttekeningen bij het voorstel om in het
Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht een
termijn van dertig dagen op te nemen waarbinnen het Hof van Justitie advies
moet uitbrengen over benoemingen.
De voorgestelde termijn volgens hem praktisch onhaalbaar, gezien de omvang van het Hof en de noodzaak van zorgvuldige beraadslaging. Het uitblijven van een deugdelijk advies kan bovendien de effectieve samenwerking binnen de rechterlijke macht ondermijnen. Indien al een termijn noodzakelijk wordt geacht, dient deze aanzienlijk ruimer te zijn.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft een zelfstandige rol bij
cassatie in het belang der wet en bij advisering. In de Surinaamse context
wordt volgens de denktank eerder gedacht aan onderbrenging van cassatie bij het
Caribisch Hof dan aan de instelling van een eigen Hoge Raad. Gelet hierop acht
dhr Gangarampanday het prematuur om reeds nu in de
Grondwet de mogelijkheid van een eigen Hoge Raad vast te leggen.
Ten aanzien van het voorgestelde College van Procureurs-Generaal betoogt
hij dat de noodzaak en meerwaarde van een dergelijk college onvoldoende zijn
aangetoond, zeker zolang onduidelijk is hoe de cassatierechtspraak zal worden
ingericht. Hij vergelijkt de Surinaamse situatie met die van Nederland en de
Caribische landen en concludeert dat een meerhoofdige leiding in een relatief
klein Openbaar Ministerie eerder tot bureaucratisering en bestuurlijke
verlamming zal leiden dan tot versterking. Het voorstel dat het College de
Republiek Suriname in rechte zou vertegenwoordigen roept bovendien fundamentele
vragen op over verantwoordelijkheid en besluitvorming.
Wat betreft het voorstel om de pensioengerechtigde leeftijd van de
Procureur-Generaal en andere leden van het Openbaar Ministerie te verlagen van
zeventig naar vijfenzestig jaar, schetst de adviseur de historische achtergrond
van deze regeling en benadrukt hij dat de recente wetswijziging uit 2024 juist
heeft beoogd de rechtspositie van OM-leden en rechters gelijk te trekken.
Zijn conclusie is dat de drie wetsvoorstellen sterk met elkaar
samenhangen en dat onvoldoende duidelijk is welk overkoepelend doel zij dienen.
Daarbij
werd benadrukt dat dit traject met volledig respect voor de onafhankelijkheid
van de drie machten moet worden vormgegeven en dat een continue dialoog tussen
alle actoren – rechterlijke macht, Openbaar Ministerie, advocatuur, wetgever en
internationale partners – onmisbaar is.
De bijeenkomst werd gepositioneerd als onderdeel van een historisch proces, waarin Suriname zich buigt over fundamentele vragen die in feite al bij de onafhankelijkheid aan de orde hadden moeten komen. De huidige discussie over de invoering van een derde instantie heeft deze noodzakelijke modernisering in een stroomversnelling gebracht.
De derde instantie in de rechtspraak
Uit de
bijdragen blijkt een brede consensus dat Suriname, als enige land binnen het
Caribisch gebied zonder derde instantie, deze stap niet langer kan uitstellen.
De noodzaak van een derde instantie wordt vooral gezien in het licht van
rechtsontwikkeling, rechtseenheid en versterkte rechtsbescherming.
In een civiel rechterlijk systeem, zoals het Surinaamse, kan de derde instantie geen tweede hoger beroep zijn.
Zij
dient zich te beperken tot de toetsing van de juiste toepassing van het recht,
zonder nieuwe feiten vast te stellen, en moet de mogelijkheid
hebben
zaken terug te verwijzen. De gronden voor cassatie dienen daarom expliciet en
helder in de wet te worden vastgelegd.
Ook de toegang tot de derde instantie vraagt aandacht. Internationaal is het gebruikelijk te werken met een verlofstels. Een verlofstelsel is een systeem waarbij toegang tot cassatie (bij de Hoge Raad) niet automatisch is, maar afhankelijk wordt gesteld van voorafgaande toestemming (“verlof”). Dat verlof wordt verleend door een rechterlijk orgaan dat vooraf beoordeelt of de zaak cassatie waard is. Een soort (voor) selectie van verzoeken. Ook is geopperd voor gespecialiseerde advocaten voor de Hoge Raad, aangezien bij de Hoge Raad alleen zaken met principieel juridisch gewicht worden behandeld en de kwaliteit van de rechtsvorming daardoor ook wordt bewaakt.
Inhoudelijk zijn twee hoofdopties besproken: de instelling van een eigen Surinaams hooggerechtshof of aansluiting bij de Caribbean Court of Justice (CCJ) als derde instantie. Beide alternatieven brengen specifieke voordelen en aandachtspunten met zich.
De personele invulling moet plaatsvinden met zeer ervaren rechters, onder handhaving van bestaande benoemingswaarborgen. Transparantie, publieke verantwoording en een duidelijke klachtenregeling zijn noodzakelijk om het vertrouwen van de samenleving te versterken.
Hervorming van het Openbaar Ministerie
Naast
de derde instantie is uitgebreid stilgestaan bij de modernisering van het OM.
Daarbij werd onder meer gekeken naar de verhouding tussen het OM en de Minister
van Justitie, het vervolgingsmonopolie en de positie van de procureur-generaal
(PG). Hoewel het vervolgingsbeleid op regeringsniveau wordt vastgesteld, werd
benadrukt dat inmenging in individuele zaken onaanvaardbaar is.
De
discussie over een roulerende PG en mogelijke begrenzing van de ambtstermijn
werd geplaatst in het kader van checks and balances, het voorkomen van
machtsconcentratie en het vergroten van transparantie en verantwoording.
Tegelijkertijd
werd gewezen op het belang van continuïteit en institutioneel vertrouwen, dat
zorgvuldig moet worden beschermd.
Ook
het idee van een collegiale leiding binnen het OM, met meerdere PG’s of een
management- of college-structuur, werd uitvoerig besproken als middel om de
kwaliteit van de interne besluitvorming te verhogen, machtsconcentratie te
voorkomen en de organisatie beter toe te rusten op hedendaagse uitdagingen. In
dit verband is expliciet naar voren gebracht dat de Procureur-Generaal
openstaat voor de vorming van een managementteam binnen het Openbaar Ministerie
en deze ontwikkeling ondersteunt als onderdeel van de noodzakelijke
modernisering van het instituut. Daarbij is benadrukt dat een dergelijke
structuur past binnen moderne governance‑principes, waarin collegialiteit,
transparantie en gedeelde verantwoordelijkheid centraal staan, met behoud van
de constitutioneel verankerde onafhankelijkheid van het OM.
Een
terugkerend thema in alle bijdragen was het belang van public trust and
confidence. In de samenleving leeft niet alleen de behoefte aan
rechtsbescherming, maar ook de vraag wie toezicht houdt op de rechterlijke
macht. Transparantie, openbaarheid van procedures en heldere
verantwoordingsmechanismen werden daarom als cruciale voorwaarden genoemd.
Het
besef dat vertrouwen langzaam wordt opgebouwd en snel kan worden verloren,
vormde een belangrijke leidraad bij de beoordeling van alle
hervormingsvoorstellen. Beslissingen die raken aan kerninstituties van de
rechtsstaat moeten daarom breed gedragen, zorgvuldig onderbouwd en helder
gecommuniceerd worden.
Voorzitter,
tot zover een beknopt verslag over de voorbereidingen om te komen tot de
openbare behandeling.
Ik ga nu over tot de
behandeling van de wetsontwerpen.
De
initiatiefwetsvoorstellen betreffende de wijziging van enkele bepalingen van de
Grondwet, de preambule van de Grondwet, het Reglement op de inrichting en
samenstelling van de Surinaamse rechterlijke macht en de Wet Rechtspositie
Rechterlijke Macht, hebben met uitzondering van de wijziging van de
preambulaire bepaling van de Grondwet, allemaal betrekking op de Rechterlijke
Macht in zijn algemeenheid, en in het bijzonder op het Openbaar
Ministerie.
De wijzigingsvoorstellen met betrekking tot de bepalingen van de Grondwet van de Republiek Suriname hebben in het bijzonder betrekking op het bieden van grondslagen voor de (toekomstige) instelling van een derde rechterlijke instantie (een zogenaamde Hoge Raad) die belast zal worden met de cassatierechtspraak in Suriname.
Eveneens hebben de
wijzigingsvoorstellen van de Grondwet betrekking op de herstructurering van het
Openbaar Ministerie, namelijk de grondslagen voor de (toekomstige) instelling
van een College van Procureurs-generaal in de leiding van het Openbaar Ministerie.
Uiteraard zijn er ook voorstellen gedaan mbt aanpassingen van andere bepalingen
van de Grondwet die noodzakelijk moeten worden aangebracht in verband met
genoemde voorstellen.
Het initiatiefwetsvoorstel
tot aanpassing van de preambulaire bepaling van de Grondwet als een bijzondere
erkenning dat de Inheemsen als de oorspronkelijke bewoners van Suriname ook
deel zijn van de nationale identiteit van Suriname.
De wijzigingsvoorstellen
betreffende het Reglement op de Inrichting en samenstelling van de Surinaamse
Rechterlijke macht (Wet RIS) en de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht hebben
betrekking op het wederom in overeenstemming brengen met hetgeen in artikel 141
van de Grondwet is bepaald ten aanzien van de benoeming van de leden van de
Rechterlijke Macht met rechtspraak belast, inclusief de benoeming van de
Procureur-generaal. Op deze specifieke grondwets- en wetsvoorstelllen komt ik
later terug.
(2). Enkele opmerkingen mbt het recht van
initiatief
Alvorens in te gaan op de
specifieke wetsvoorstellen is het goed eerst het een ander te zeggen ten
aanzien van de initiatiefwetsvoorstellen die zijn gedaan door de
initiatiefnemers. Er is namelijk niet alleen binnen de samenleving, maar ook
binnen de verschillende Staatsinstituten, ook binnen de Rechterlijke Macht, wat
onduidelijkheid met betrekking tot dit recht van initiatief. Het recht van elk
DNA lid om wetsvoorstellen in dienen ter behandeling, welk recht inherent is
aan het lidmaatschap van DNA, als medewetgever en hoe dat proces verloopt nadat
van dit recht door een DNA lid (DNA leden)
gebruikt wordt (en) gemaakt.
Elk
DNA lid is ingevolge artikel 78 van de Grondwet bevoegd om ontwerpen van wet in
te dienen Artikel 78; “Ieder lid van de Nationale
Assemblee heeft het recht ontwerpen van wet aan De Nationale Assemblee ter
behandeling voor te leggen”.
Hoe het lid het wetsontwerp voorbereid heeft is des lid. Eveneens is
het lid niet beperkt tot een bepaald onderwerp. Alleen moet het onderwerp wel
passen binnen de gescheiden taakstelling van de drie staatsmachten. Over het
algemeen leent elk onderwerp zich tot regeling bij wet, nu artikel 70 van de
Grondwet slechts een formele definiëring geeft van de wet: ( Artikel 70: de
wetgevende macht wordt door De Nationale Assemblee en de Regering gezamenlijk
uitgeoefend). Artikel 72 en andere bepalingen van de Grondwet noemen enkele
specifieke onderwerpen die sowieso bij wet geregeld moeten worden.
Daarbij is het ook niet van belang dat de initiatiefnemer zich eerst
moet verstaan met de daarbij betrokken maatschappelijke instituten. Dat
geschiedt in het proces binnen De Nationale Assemblee zelf in het kader van het
onderzoek door de CvR. Indien voorafgaand aan de indiening van een initiatiefwet
door de initiatiefnemer wel maatschappelijke consultatie heeft plaatsgevonden,
dan vergemakkelijkt dat wel het werk van de CvR.
Nadat
het initiatiefwetsvoorstel is ingediend, wordt in de Huishoudelijke vergadering
van DNA het besluit genomen of het ingediende ontwerp initiatiefwet voor
behandeling in aanmerking komt. Indien in Huishoudelijke vergadering
goedkeuring is verleend dat het ingediende wetsontwerp voor behandeling in
aanmerking komt, wordt een Commissie van Rapporteurs (CvR) benoemd die het
onderzoek gaat doen, conform art. 75 lid 2 van de Grondwet: (Artikel 75 lid 2: aan de openbare beraadslaging over enig
ingekomen voorstel van de Regering gaat altijd een onderzoek vooraf). Dit
geldt ook voor initiatief wetsvoorstellen.
(3). De initiafwetten houdende nadere
wijziging van de Grondwet en van de preambule van de Grondwet, van het
Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke
Macht (Wet RIS) en van de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht.
Alvorens in te gaan op de
specifieke initiatief wetsontwerpen en de daarbij behorende specifieke
onderwerpen zal ik kort de verschillende grondwetsbepalingen de revue laten
passeren of aanhalen die in verband met deze wetsvoorstellen van belang zijn.
Deze wetswijzigingsvoorstellen zowel die ten aanzien van de Grondwet als ten
aanzien van de overige wetten raken namelijk aan de constitutionele rechtsorde,
en zal de positie die DNA daarin inneemt als volksvertegenwoordiger, als
medewetgever, als het orgaan waarin de politieke macht berust, moeten worden
verduidelijkt of aangehaald.
Daarbij
wil ik aanhalen:
-
Artikel 52 lid 1: “De politieke macht berust bij het volk en wordt
uitgeoefend in overeenstemming met de Grondwet”. Het primaat van de politiek berust, aldus bij De
Nationale Assemblee als vertegenwoordiger van dit volk, hetgeen betekent dat
hij te beslissen heeft over de politieke besluitvorming betreffende de
constitutionele orde.
-
Artikel 55 lid 1: “ De Nationale Assemblee vertegenwoordigt het volk
van de Republiek Suriname en brengt de soevereine wil van de natie tot
uitdrukking”.
-
Artikel 55 lid 2: “ De Nationale Assemblee is het hoogste orgaan van de
Staat”.
-
Artikel 71 lid 1: “De Nationale Assemblee is bevoegd te beslissen over
alle wetsontwerpen, die aan haar ter goedkeuring worden voorgelegd”.
Het
voorgaande benadrukt de positie die De Nationale Assemblee inneemt in het
staatsbestel, niet alleen in het kader van de trias als een van de
staatsmachten, maar als vertegenwoordiger van dit volk die de politieke macht
in handen heeft ook ten aanzien van beslissingen betreffende welke richting wij
met onze constitutionele orde heengaat, alles binnen de grenzen van de Grondwet
en zonder dat wij de principes van de democratische rechtsstaat negeren. Ik
hoop dat dat begrepen wordt Voorzzitter.
A. De ontwerpwet houdende nadere wijziging van
de Grondwet ((S.B. 1987 no. 116, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2023 no.
157).
In
deze ontwerpwet tot wijziging van de Grondwet zijn door de initiatiefnemers
voorstellen gedaan tot aanpassing van een aantal bepalingen van de Grondwet te
weten de artikelen 133, 139, 140, 141 en 146, terwijl een nieuw artikel 139a is
toegevoegd. Ten aanzien van artikel 134 is slechts om taalkundige redenen voorgesteld
deze bepaling aan te passen.
In
grote lijnen komen deze wijzigingsvoorstellen van de Grondwet op het bieden van
de grondslagen voor twee fundamentele onderwerpen te weten, op de eerste plaats
de instelling van een derde rechtsinstantie die door de initiatiefnemers als de
“Hoge Raad van de Republiek Suriname” wordt genoemd, en de herstructurering van
het Openbaar Ministerie.
(i). Instelling van een
derde rechtsinstantie, de Hoge Raad
In de
ontwerpwet is voorgesteld om artikel 139 zodanig aan te passen dat de obstakel
die daarin aanwezig is i.v.m. de instelling van een derde instantie (het Hof
van justitie is namelijk in artikel 139 genoemd als de hoogste instantie met
rechtspraak belast) wordt weggewerkt en tegelijkertijd artikel 139 tot een
grondslag regeling te maken voor de instelling van de Hoge Raad, welke als
volgt luidt:
1. De hoogste instantie van de Rechterlijke Macht met rechtspraak
belast draagt de naam van de Hoge Raad van de Republiek Suriname.
2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de bij de wet bepaalde
grenzen belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van
het recht. Bij wet kan aan de Hoge Raad ook andere taken worden toebedeeld.
3. De wet regelt de inrichting, samenstelling, bevoegdheden en
werkwijze van de Hoge Raad, alsmede het toezicht op het functioneren van de
leden van de Rechterlijke Macht.
Uit
dit voorstel van artikel 139 volgt eveneens dat naast “cassatie” aan de Hoge
Raad bij wet ook andere taken kunnen worden toebedeeld. Dit is begrijpelijk
vooral in het kader van het toezicht op verrichtingen van de lagere
rechterlijke ambtenaren en instanties dat de Hoge Raad daarin een taak wordt
gegeven, maar dat zal nog nader worden uitgewerkt in de wet.
Over
de noodzaakt tot de instelling van een Hoge Raad als een derde rechtsinstantie,
althans tot regeling van een grondslag in de Grondwet daartoe, zal ik heel kort
zijn. Een derde instantie die zoals het wetsvoorstel het aangeeft “de Hoge Raad
die in de gevallen en binnen de bij wet bepaalde grenzen belast is met de
cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht” (artikel
39 lid 2). Er zijn tijdens de hearing maar ook daarbuiten, ook vanuit de
Rechterlijke Macht, heel veel reacties en standpunten geweest over dit
voorstel. Wat wel van belang is te vermelden, is dat een derde rechtsinstantie
over het algemeen wordt verwelkomd, ook vanuit het Hof van Justitie die thans de
hoogste rechterlijke instantie is in Suriname.
Het
Hof van Justitie benadrukt in zijn reactie dat “Voor iedere volwassen natie een
derde instantie in civiele en in strafzaken van belang is. Die derde instantie
draagt namelijk bij aan de rechtsontwikkeling en het vertrouwen in de
rechtstaat”.
Waarover wel verschillend wordt gedacht is hoe wij aan die derde instantie invulling moeten geven. De initiatiefnemers zijn duidelijk in hun standpunt, nl. dat wij een eigen invulling moeten geven aan een derde instantie, een eigen Hoge Raad dus, zoals uit het initiatiefwetsvoorstel blijkt. Het Hof van Justitie laat in het midden te beslissen om aan te sluiten bij het Caribisch Hof van Justitie (CCJ) of een eigen Hoge Raad in te stellen, daarbij aangevende de voor en nadelen. Ik verwijs hierbij allemaal naar de ter zake gegeven adviezen, alsmede de vele reacties die zijn gegeven.
Ik deel
het standpunt van de initiatiefnemers voor een eigen Hoge Raad, althans het uitgangspunt moet zijn een eigen
Hoge Raad, zeker wanneer vanuit
wordt gegaan dat Suriname als een onafhankelijk, zelfstandige en volwassen
natie op termijn een eigen derde rechtsinstantie verdient. De voorgestelde
gefaseerde aanpak van deze materie geeft alle reden daartoe. Deze
wijzigingsvoorstellen van de Grondwet zal namelijk afhankelijk van de
vorderingen ten aanzien van de institutionele en wettelijke voorziening in
werking worden gesteld (ARTIKEL II). Aan de Regering en de Rechterlijke Macht
zal dan ook voldoende tijd en ruimte worden gegund voor de successievelijke
implementatie. Maar er zijn behoorlijk wat uitdagingen.
Ten
aanzien van de interne bemensing zegt het Hof van Justitie het volgende “ citaat: Daarvoor is intussen wel wezenlijk dat de
derde instantie op de juiste wijze wordt ingericht en wordt bemenst door
integere juristen met uitstekende kwalificaties. Een ondoordachte inrichting
van de derde instantie en/of twijfels over de kwaliteit van haar rechters kan
gemakkelijk een omgekeerd effect hebben ten opzichte van wat met een derde
instantie wordt beoogd (rechtsonzekerheid en afnemend vertrouwen in de
rechtstaat).
Dit legt dus een bijzondere
verantwoordelijkheid op de huidige generatie in Suriname en in het bijzonder op
de Surinaamse regering en het parlement, om zowel bij de herziening van de
Grondwet en andere wetten ten behoeve van het instellen van een derde instantie
en vervolgens ook bij de implementatie van die instantie geen fouten te maken. In
de huidige fase van de ontwikkeling van Suriname is van bijzondere betekenis
het vertrouwen dat buitenlandse investeerders in de Surinaamse rechtspraak
kunnen stellen. Dat vertrouwen is niet gegeven met het bestaan van een derde
instantie, maar zal vooral ook afhankelijk zijn van een internationale
worteling van die derde instantie. Het recht is allang niet meer alleen een
nationale aangelegenheid. Dit hangt samen met de mondialisering van economie en
samenleving - welke mondialisering nu een krachtige impuls krijgt met de komst
naar Suriname van Oil and Gas - en een toenemende verknoping van de belangen en
uitdagingen voor landen, bedrijven en burgers wereldwijd.
Gelet
op het hiervoor gestelde betekent dat voor wat betreft de bemensing van de Hoge
Raad, mede gelet op de huidige bezetting van de zittende magistratuur een grote
uitdaging zal zijn. Wat ook is gesuggereerd, ook vanuit het Hof van Justitie,
dat niet moet worden uitgesloten dat ook niet Surinamers tot rechters van de
Hoge Raad benoemd zouden (moeten) kunnen worden. Vooral in de beginperiode van
de instelling van de Hoge Raad zal dit van “zeer” node zijn. Dit moeten wij
niet uit het oog verliezen. Ook in verband met de “internationale worteling”
van de Hoge Raad is het voorgaande op zijn plaats.
Echter
vormt artikel 141 lid 1 van de Grondwet een belemmering. In dit kader is dan
ook van belang dat artikel 141 lid 1 welke als volgt luidt: “ Om als lid van de Rechterlijke Macht met
rechtspraak belast of Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie benoemd te
kunnen worden moet men de leeftijd van dertig Jaren hebben bereikt en in het
bezit zijn van de Surinaamse Nationaliteit en woonplaats en hoofd- of werkelijk
verblijf in Suriname hebben”) ook aangepast wordt.
De Hoge Raad wordt namelijk ook onderdeel van de Rechterlijke Macht met
rechtspraak belast (artikel 133 lid 3), en zijn de vereisten voor het
lidmaatschap in artikel 141 lid 1 dan ook van toepassing voor de toekomstige
leden van de Hoge Raad (Surinaamse nationaliteit en in Suriname woonachtig).
Uitzondering
moet dan ook worden gegeven ten aanzien van de vereisten van “Surinaamse
nationaliteit en woon- of verblijfplaats in Suriname” voor de leden van de Hoge
Raad. Dit is mede van belang in verband met het voorstel die ik hierna ga doen
mbt de mogelijkheid dat een buitenlandse of internationale gerechtelijke
instantie kan worden belast met de taken van de Hoge Raad.
Concreet
komt het voorstel dan op het volgende neer: In het voorgestelde artikel 139
wordt een nieuw lid (lid 4) toegevoegd welke als volgt zou kunnen luiden:
4. Het bepaalde in
artikel 141 lid 1 betreffende de vereisten van “het in het bezit zijn van de
Surinaamse nationaliteit en het hebben van woonplaats en hoofd- of werkelijk verblijf
in Suriname”, vindt geen toepassing ten aanzien van de leden van de Hoge Raad.
De mogelijkheid
openlaten voor internationale invulling van de taken van de Hoge Raad.
Tegelijkertijd
ben ik de mening toegedaan dat onverminderd het uitgangspunt van een eigen Hoge
Raad, een internationale invulling daarvan ook niet moet worden uitgesloten.
Mede gelet op “de internationale worteling” die wij moeten geven aan de “derde
instantie” het van belang is dat bij de regeling van deze materie in de
Grondwet, niet alleen ten aanzien van de bemensing van de derde instantie de
ruimte te laten voor internationale participatie, maar dat wij de gewone
wetgever ook de ruimte moeten bieden om bij de invulling van de Hoge Raad
daartoe aan te sluiten bij een internationale of buitenlandse gerechtelijke
instantie, zoals een CCJ. Bij de hearings is het belang hiervan heel duidelijk
gebleken.
Het
Hof van Justitie, nationale en internationale ter zake deskundigen, hebben
steeds geopperd die mogelijkheid open te laten, om redenen zoals hiervoor reeds
aan de orde is gesteld (institutioneel,
menskracht).
Concreet
stel ik in dit geval dan ook voor om in het wetsvoorstel na artikel 139 van de
Grondwet regelende de grondslag voor de instelling van de derde instantie (Hoge
Raad), een bepaling op te nemen (artikel 139a), welke als volgt zouden kunnen
luiden:
Artikel 139a
1. Onverminderd het
bepaalde in artikel 133, kunnen de in artikel 139 genoemde taken van de Hoge
Raad overeenkomstig bij wet aangewezen en vastgestelde voorwaarden en
voorzieningen, worden uitgeoefend door een buitenlandse of internationale
gerechtelijke instantie.
2. Indien toepassing
wordt gegeven aan het bepaalde in lid 1, vinden ten aanzien van de uitoefening
van de bevoegdheden door de daarin bedoelde buitenlandse of internationale
gerechtelijke instantie de wettelijke bepalingen betreffende de Hoge Raad, overeenkomstige
toepassing.
Met
de overige aanpassingsvoorstellen in verband met de instelling van de
cassatierechtspraak (Hoge Raad) en wel in de artikelen 133, 139b (nieuw), 141
en 142, zoals in het wetsvoorstel aangegeven kan ik me wel kan vinden.
Met
de aanpassing van de artikelen 141 en 142 wordt namelijk de positie van de
Procureur-Generaal expliciet gekoppeld voor zowel de Hoge Raad als het Hof van
Justitie. Deze voorgestelde aanpassing is namelijk een logisch en noodzakelijk
gevolg van de invoering van de cassatierechtspraak. Aangezien de Hoge Raad ook
onderdeel wordt van de Rechterlijke Macht, is aanpassing van de samenstelling
van de Rechterlijke Macht noodzakelijk gebleken en aldus de aanpassing van
artikel 133.
(voorstel aanpassen
memorie van toelichting tav de art. 133, 139, 139a, 139b, 141 en 142)
Dan wil ik hierbij, in het kader van de hiervoor gedane aanpassingsvoorstellen in de tekst als hiervoor bedoeld, maar ook vanwege de vele reacties tijdens de hearings die aangeven dat het voorstel tot de instelling van een derde rechtsinstantie (cassatierechtspraak/Hoge Raad) niet afdoende is toegelicht, het voorstel doen de Memorie van Toelichting tav genoemde artikelen aan te passen, en wel dat de “vierde en vijfde alinea van de Memorie van toelichting” in het geheel worden aangepast en als volgt komen te luiden:
Mijn voorstel voor de tekst (Ten
overvloede zie aangepaste tekst mvt):
B. Instelling van een tweede beroepsinstantie bij
de Rechterlijke Macht (Hoge Raad)
In het wetsvoorstel
is als onderdeel van de Rechterlijke Macht een derde gerechtelijke instantie
voorgesteld, die belast wordt met de cassatierechtspraak in Suriname, een
zogenaamde Hoge Raad voor de Republiek Suriname. In dat kader is dan ook van
belang dat, gelet op de bestaande regeling in de Grondwet betreffende de
Rechterlijke Macht, aan de structuur van de Rechterlijke Macht wijzigingen
worden aangebracht. Het Hof van Justitie wordt met de instelling van een
cassatierechtspraak voor Suriname dan niet meer de hoogste rechterlijke
instantie. Dat wordt de “Hoge Raad van de Republiek Suriname”, de benaming
zoals in het wetsvoorstel is voorgesteld. Het Hof van Justitie blijft de
hoogste feitelijke instantie. Het voorgaande betreft de wijziginsvoorstellen in
de onderdelen B tot en met G.
Reeds geruime tijd
werd, ook vanuit de Rechterlijke Macht en de Regering, geopperd om te komen tot
de instelling van een derde gerechtelijke instantie voor de Rechterlijke macht,
oftewel een tweede beroepsinstantie. Een zogenaamde “Hoge Raad” die beperkt tot
taak heeft cassatie van de rechtspraak wegens schending van het recht. Een
derde gerechtelijke instantie die slechts bevoegd is tot de beantwoording van
rechtsvragen (geen feitelijke instantie) welke tot nu toe in Suriname wordt
gemist.
Vanuit de
internationale praktijk die uitgaat van twee beroepsinstantie loopt Suriname
dan ook achter, ook ten opzichte van de andere Caricom landen. De andere
(overige) Caricom landen, behalve Suriname, hebben een tweede beroepsinstantie.
Om die reden is een derde gerechtelijke instantie bij de Rechterlijke macht,
oftewel een tweede beroepsinstantie als hiervoor, dan ook noodzakelijk.
Echter de noodzaak
van een tweede beroepsinstantie die belast wordt met de cassatie van de
rechtspraak van de lagere rechters wegens strijdigheid met het recht is niet
alleen van belang om de hiervoor genoemde redenen. Een tweede beroepsinstantie
die de lagere rechtspraak toetst op consistentie met het recht en waakt voor de
rechtseenheid, is ook van juridisch, institutioneel en maatschappelijk belang.
De inrichting van een
rechtsstaat vereist namelijk een rechterlijke organisatie die niet alleen
geschillen beslecht, maar ook waakt over de juiste en uniforme toepassing van
het recht. Het recht op een eerlijk proces zoals onder meer gegrondvest in het
IVBPR en het AVRM vereisen van nationale rechtssystemen naast de aanwezigheid
van effectieve rechtsmiddelen en een onafhankelijk en onpartijdige rechtspraak,
ook dat deze rechtssystemen waarborgen bieden tegen rechterlijk willekeur en
rechtsdwalingen. Daarbij is het niet anders dan dat die centrale rol vervult
wordt door een cassatie rechter. Het behoeft verder dan ook geen nader betoog,
dat de invoering van cassatierechtspraak een versterking betekent voor de
rechtsorde van Suriname, aangezien het van essentieel belang is voor de
rechtszekerheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming.
Daarmee versterkt de
instelling van een cassatie-instantie, als hiervoor bedoeld dan ook de
rechtsstaat Suriname.
Echter de realiteit
gebiedt ons om niet alleen naar het belang of het doel van een
cassatie-instantie voor Suriname, zoals hiervoor aangegeven te kijken, maar
eveneens naar de bestaande mogelijkheden die Suriname als Staat heeft, om
daaraan invulling of uitvoering te kunnen geven. In het bijzonder zal, naast de
financiële aspecten, gekeken moeten worden naar de mogelijkheden in termen van
de beschikbaarheid van institutionele en menselijke capaciteiten die van node
zullen zijn in verband met de invulling van de derde gerechtelijke instantie.
Vooral voor de
Rechterlijke Macht van waaruit de invulling van de derde instantie zal moeten
geschieden zal dat, gelet op de bestaande capaciteit van de zittende
magistratuur een behoorlijke uitdaging zijn.
Vandaar dat het
uitgangspunt ten aanzien van de invulling van de derde instantie, niet alleen
beschouwd wordt vanuit een gefaseerde aanpak (zie ARTIKEL II), maar dat ook is
nagedacht over een internationale invulling. In het bijzonder wordt gedacht aan
de mogelijkheid die bijvoorbeeld het Caribbean Court of Justice (CCJ) heeft om
in deze invulling te kunnen geven.
Eveneens wordt de
mogelijkheid opengelaten dat een andere internationale gerechtelijke instantie
de rol van de cassatierechtspraak voor Suriname zou kunnen invullen. De
voorgestelde bepaling van artikel 139a strekt dan ook hiertoe.
Alhoewel in artikel
139 wordt uitgegaan van een eigen derde instantie (een eigen Hoge Raad) is met
deze constructie (artikel 139a) niet uitgesloten dat aan een internationale
gerechtelijke instantie die rol wordt gegeven en daarmee enigszins aan de derde
instantie een internationale inbedding gegeven. Deze aangelegenheid zal dan ook
nader bij wet worden uitgewerkt, met inbegrip van de gewenste criteria ten
aanzien van dergelijk gezaghebbend internationaal rechtscollege
Tegelijkertijd is ook
nagedacht over de mogelijkheden van “internationale bemensing” van de derde
instantie.
Het voorgaande in het
bijzonder, gelet op hetgeen is gesteld ten aanzien van de mogelijkheid dat een
internationale gerechtelijke instantie de rol van de cassatie-instantie wordt
toebedeeld.
Maar ook indien
uitgegaan wordt van een eigen Hoge Raad zal, gelet op de bestaande capaciteit
van de zittende magistratuur en de zware eisen die zullen worden gesteld aan de
bemensing van de cassatie-instantie, niet uitgesloten kunnen worden dat de
invulling daarvan eveneens zal afwijken van hetgeen vereist is in artikel 141
lid 1 (Surinamer en ingezetene) voor de leden van de Rechterlijke Macht.
Daarbij is, gelet op het hiervoor gestelde dan ook noodzakelijk dat voor de
leden van de Hoge Raad wordt afgeweken van de eisen ten aanzien van
nationaliteit en woonplaats welke geldt voor de leden van de Rechterlijke Macht
als bedoeld in artikel 141 lid 1, waarvan de Hoge Raad onderdeel van is. Het
voorgestelde artikel 139 lid 4 strekt daartoe.
De aanpassingen in de
artikelen 133, 141 en 142 houden verband met de instelling van de derde
gerechtelijke instantie, de cassatierechtspraak zoals hiervoor uiteengezet. De
derde instantie is onderdeel van de Rechterlijke Macht en dient de
samenstelling van de Rechterlijke Macht in verband met de nieuwe structurering
dan ook te worden aangepast (artikel 133). Met de aanpassingen in de artikelen
141 en 142 wordt de positie van de Procureur-Generaal expliciet ook gekoppeld
aan de derde instantie (Hoge Raad). Die koppeling bestaat reeds met het Hof van
Justitie. Deze aanpassingen vormt aldus een logisch en noodzakelijk gevolg van
de invoering van de derde instantie.
(ii). Het voorstel tot
aanpassing van artikel 134
De
voorgestelde aanpassing van artikel 134 is slechts een taalkundige aanpassing
waarin ik eveneens kan meegaan. Artikel 134 betreft namelijk de absolute
competentie regeling van de Rechterlijke Macht. (Artikel 134 lid 1: De kennisneming van de berechting
omtrent alle rechtsgeschillen, tenzij de wet een andere rechter aanwijst, is
opgedragen aan de Rechterlijke Macht.).
Deze bepaling loopt taalkundig mank. De Rechterlijke Macht neemt namelijk geen “kennis
van de berechting omtrent alle rechtsgeschillen” alleen, maar “neemt kennis en
berecht deze rechtsgeschillen”. Eveneens zal het woord “is” in een “zijn”
moeten worden veranderd.
In
verband met de duidelijkheid wordt voorgesteld om in het wetsvoorstel expliciet
te verwijzen naar artikel 134 lid 1 en deze in zijn geheel te herformuleren,
als volgt:
1. De kennisneming en de berechting van alle
rechtsgeschillen, tenzij de wet een andere rechter aanwijst, zijn opgedragen
aan de Rechterlijke Macht.
Ook wordt hierbij voorgesteld om ten van dit wijzigingsvoorstel in de Memorie van Toelichting, het volgende op te nemen.
Mijn voorstel voor de tekst
De
voorgestelde aanpassing van artikel 134 is van taalkundige aard. Artikel 134
betreft namelijk de absolute competentie regeling van de Rechterlijke Macht. Deze bepaling is taalkundig en
begripsmatig niet juist. De Rechterlijke Macht neemt namelijk geen
“kennis van de berechting omtrent alle rechtsgeschillen” alleen, maar “neemt
kennis en berecht deze rechtsgeschillen”.
Artikel
134 lid 1 gaat dan ook als volgt luiden: De kennisneming en de berechting van
alle rechtsgeschillen, tenzij de wet een andere rechter aanwijst, zijn
opgedragen aan de Rechterlijke Macht.
(iii). De herstructurering van het Openbaar
Ministerie
Ten aanzien hiervan zijn
in de ontwerpwet tot nadere wijziging van de Grondwet een aantal
wijzigingsvoorstellen gedaan en wel betreffende artikel 133 (aanpassing van de
samenstelling van de Rechterlijke macht), alsmede de artikelen 141, 142 en 146.
Deze aanpassingen hebben
allemaal betrekking op de voorstellen tot herstructurering van het Openbaar
Ministerie waarbij ten aanzien van de toekomstige leiding van het Openbaar
Ministerie zal worden voorzien in een college en wel in een college van Procureurs-generaal.
Er zijn tijdens de
hearings maar ook daarbuiten heel veel reacties geweest met betrekking tot de
voorgestelde herstructurering van het Openbaar Ministerie in de Grondwet. Deze reacties
versterken deels de gedane voorstellen, terwijl deels veelal vanuit historische
beschouwingen een andere kijk op de voorstellen hebben.
Vanuit het Openbaar
Ministerie is ten aanzien van dit specifieke voorstel (College van
Procureurs-generaal) een duidelijke reactie geweest welke erop neerkomt een
afwijzing van dit voorstel meer vanuit de historische positionering van de
Procureur-generaal als hoofd van de vervolging.
Het komt er dan concreet
op neer dat aan het Openbaar Ministerie en wel nadruk op het “eenhoofdig
Procureur-generaal” sedert de koloniale tijd, maar ook daarna het
vervolgingsmonopolie in handen is gelegd. Ook andere reacties benadrukken de
vervolgingsmonopolie van de Procureur-generaal. Die vervolgingsmonopolie wordt
steeds in onafhankelijkheid van de Regering uitgeoefend, aangezien de
Procureur-generaal niet alleen onderdeel is van de Rechterlijke Macht maar dat
hij ook voor het leven wordt benoemd.
De overige reacties die
dit voorstel afwijzen komen in grote lijnen ook neer op het hetgeen hier door
het Openbaar Ministerie wordt gesteld, zij het dat een college wordt afgewezen
waarbij wordt uitgegaan van een kwantitatieve benadering, op het gevaar van
politisering van dit orgaan, alsmede dat bij een college de besluitvorming
juist problematisch gaat zijn.
Er zijn ook vele reacties
die dit voorstel ook ondersteunen en zelfs verder willen gaan dan de gedane
voorstellen. In grote lijnen baseren zij hun reacties, op de noodzaak van een
gedegen check and balances in de besluitvorming van het hoogste gezag van de
vervolging.
Ik wil hierop het volgende
naar voren brengen en benadrukken:
Inderdaad, zoals door
velen ook gesteld, bevat het initiatiefvoorstel hieromtrent geen nadere
toelichting, waarvoor de aandacht van de initiatiefnemers wordt gevraagd. Daarover zal ik mijn voorstellen tot
aanpassing van de MvT doen.
Alvorens
ik inhoudelijk op het wetsvoorstel en de reacties ter zake inga, is het goed
dat ik u een kort overzicht geeft welke taken en bevoegdheden allemaal op de
schouder van de Procureur-generaal liggen. Ik moet hierbij benadrukken dat de Procureur-Generaal
een cruciale rol vervult in het Surinaamse strafrechtssysteem en de
rechtsstaat. Naast de kerntaak als hoofd van de vervolging en opsporing (zie Wetboek
van Strafrecht, wetboek van strafvordering, politiehandvest etc), heeft de
Procureur-generaal op grond van een aantal andere wettelijke regelingen ook vele
andere bijzondere bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
Ik
geef hierbij een kort overzicht van enkele van de wettelijke regelingen waarin
onder meer die bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn gelegen:
|
|
Wettelijke
Regeling |
Kern |
|
1 |
Grondwet |
Hierin zijn
constitutionele positie en de taken van de PG vastgelegd |
|
2 |
Wetboek
van Strafrecht |
In het
wetboek van Strafrecht kan de PG bezien worden als de institutionele
uitvoerder van het materiële strafrecht. De PG is belast met de handhaving
van alle strafbepalingen. |
|
3 |
Wetboek
van Strafvordering |
Hierin
zijn de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de PG opgenomen als hoofd
van de vervolging en opsporing. De PG heeft de leiding mbt de opsporing en
vervolging van alle strafbare feiten en dient als bewaker van rechtstatelijke
waarborgen. |
|
4 |
Anti-Corruptiewet |
Ingevolge
de Anticorruptiewet is de PG de spil van de strafrechtelijke
corruptiebestrijding. De PG heeft de leiding van de opsporing en beslist
zelfstandig over de vervolging en bewaakt daarbij de rechtmatigheid en
onafhankelijkheid van het proces. |
|
5 |
Besluit
verklaring van inkomen en vermogen en register (S.B. 2023 no. 127) |
De PG
heeft hierin specifieke bevoegdheden ten aanzien van de verklaring van
Inkomen en Vermogen die Dit betekent
dat de verklaring onderdeel kan worden van een politioneel c.q.
strafrechtelijk dossier. |
|
6 |
Politie
Strafwet |
De PG
heeft hierin specifieke taken en bevoegdheden mbt specifieke strafbare feiten |
|
7 |
Rijwet/Rijbesluit |
Ingevolge
de Rijwet is de Procureur-Generaal de centrale strafrechtelijke
handhavingsautoriteit voor verkeersveiligheid: hij leidt de opsporing, beslist over
vervolging, waarborgt rechtsbescherming en stuurt het vervolgingsbeleid bij
ernstige en gevaarzettende verkeersdelicten. Tevens
heeft de PG ook bestuurlijke bevoegdheden zoals het verstrekken van
rijbewijzen etc. |
|
8 |
Vuurwapenwet |
De
strafrechtelijke vervolgingsbevoegdheid mbt overtreding van de vuurwapenwet
ligt bij het OM, onder leiding van de PG. Ook heeft de PG bestuurlijke en
administratieve bevoegdheden zoals de vertrekking van vuurwapenvergunningen
etc. |
|
9 |
Wet
Economische Delicten |
De WED
kent opsporingsbevoegdheden toe aan inspecteurs, toezichthouders en controle
instanties. De PG is in deze belast met het toezicht op de rechtmatigheid van
hun opsporingshandelingen, alsmede een correcte bevoegdheidsuitoefening. |
|
10 |
Wet
Industriele Hennepteelt |
Enkele
bevoegdheden PG: aanwijzingen geven mbt monstername, lab-onderzoek (THC
gehalte), onderzoek naar strafbare hennepteelt. |
|
11 |
Decreet op
de justitiele documentatie dienst en verklaring omtrent het gedrag |
De PG
beheerst de justitiele documentatieen heeft de bevoegdheid te beslissen over
de verstrekking en gebruik van strafrechtelijke gegevens. |
|
12 |
Wet
Penitentiaire Inrichtingen |
De PG ziet
toe op een correcte uitvoering van vrijheidsstraf en de naleving van
detentievoorwaarden. |
|
13 |
Wet
Strafbaarstelling Belaging |
De PG
coördineert de strafrechtelijke aanpak mbt belaging en ziet toe op een
effectieve bescherming van slachtoffers |
|
14 |
Wet ter
voorkoming en bestrijding van Money Laundring en Terrorismefinanciering (WMTF) |
Ingevolge
art. 48 van deze wet heeft de PG ook zitting in de Anti Money Laundering
Steering Council (AML Steering Council). Art. 32 stelt dat de FIU
Suriname verplicht is, door
tussenkomst van de Procureur-Generaal,
gegevens te verstrekken aan de bevoegde instanties en ambtenaren die
met de opsporing en vervolging van strafbare feiten zijn belast: |
|
15 |
Wet
verdovende middelen |
De wet
verdovende middelen verbiedt de productie, handel, invoer, uitvoer en bezit
van verdovende middelen. De PG is ingevolge deze wet de exclusieve
vervolgingsautoriteit en geeft leiding aan de opsporing en vervolging van
strafbare feiten opgenomen in de wet. |
|
16 |
Wet Casino
belasting |
De PG is
onder meer bevoegd tot het vaststellen van richtlijnen mbt de vervolging van
casino delicten |
|
|
|
|
|
17 |
Politie
Handvest |
De PG is
bevoegd tot het geven van algemene en bijzondere aanwijzingen aan de politie
terzake de prioriteiten in de opsporing, de inzet van middelen en geeft de
onderzoeksrichtingen aan. |
|
18 |
Personeelwet |
De PG
heeft, in geval een samenloop van een strafrechtelijk en een tuchtrechtelijk
onderzoek, een adviserende rol alvorens een tuchtstraf kan worden opgelegd
aan een landsdienaar. |
|
19 |
Wet
Brandweer Suriname |
De
Procureur-Generaal is bevoegd ten aanzien van de brandpreventie dan wel
het opsporen van in deze wet strafbaar
gestelde feiten, aan de Brandweer dan wel aan ambtenaren van de Brandweer met
de opsporing van deze feiten belast, zodanige instructies te geven, welke hem
dienstig voorkomen. |
|
20 |
Wet
nationaal Leger |
Met
inachtneming van de wettelijke regelingen inzake de strafvordering tegen
militairen kan de Procureur-Generaal aan ambtenaren van de militaire politie
zodanige instrukties geven met betrekking tot opsporing en nasporing van
strafbare feiten, als hij in het belang van een goede justitie nodig
oordeelt. Daarnaast heeft de PG een adviserende functie omtrent de benoeming,
de ontheffing en het ontslag van de commandant van de militaire politie, |
|
21 |
Krankzinnigenwet |
De rol van
de PG in de krankzinnigenwet is ter waarborging van mensenrechten, de PG ziet
erop toe dat een gedwongen opname conform de wettelijke regels geschiedt en
dat kwetsbare personen rechtstatelijk beschermd blijven. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
22 |
Wet
Burgerluchtvaart |
Bij
ongevallen met luchtvaartuigen is de PG, met in achtneming van de bepalingen
van het Verdrag verplicht een Commissie aan te wijzen en procedures
vast te stellen tot het verrichten van een onderzoek. |
|
23 |
Advocatenwet |
Een
adviserende rol van de PG terzake de toelating van advocaten. |
|
|
|
|
|
24 |
Wet
verplichte verzekering motorrijtuigen |
Ook hier
heeft de PG verantwoordelijkheden bijv. tav de afgifte nummerbewijzen etc. |
Dat waren maar enkele van de wettelijke regelingen, waarin de verantwoordelijkheden van de PG zijn terug te vinden.
Voorzitter,
Wat
in de reacties ten aanzien van het voorstel door de initiatiefnemers gedaan
betreffende de herstructurering van het Openbaar Ministerie echter grotendeels
ontbreekt, is een serieuze
confrontatie met de kernvraag van deze tijd: is het huidige systeem nog
toereikend voor de rechtsstaat die Suriname wil zijn? Of weerspiegelt de
huidige constellatie waarin het Openbaar Ministerie sedert haar instelling ver
in de koloniale tijd is gestructureerd nog de maatschappelijke realiteit waarin
deze samenleving thans is ingebed. Ik ga er ook vanuit dat het vertrekpunt van
de initiatiefnemers niet anders is dan wat ik hiervoor heb gesteld.
De voorgestelde
(toekomstige) hervormingen van het Openbaar Ministerie zijn dan ook niet
gericht op het Openbaar Ministerie als de vervolgingsinstantie of gericht op
degenen die verantwoordelijk zijn voor de invulling van de vervolgingstaak,
maar moet gezien worden als een noodzakelijke modernisering van de organisatie
van het Openbaar Ministerie, welke is gericht op de rechtszekerheid, de
rechtsgelijkheid en de controleerbaarheid van macht. Een toekomstige
moderniseringsgedachte welke is ingebed in de eisen van de huidige samenleving
met haar eigen karakteristieken welke eigen is aan deze tijd. De Grondwet zal
daarvoor de ruimte moeten bieden, welke thans niet het geval is. Er zijn in de
huidige Grondwet bepalingen die deze modernisering in de weg staan althans
daartoe geen ondersteuning bieden, welke dan ook aangepast dienen te worden,
maar tegelijk zijn de wijzigingsvoorstellen bedoeld om aan deze modernisering
een grondwettelijke grondslag te bieden.
Laat hierbij benadrukt
worden dat historie nimmer als argument kan worden gebruikt tegen vooruitgang,
tegen modernisering van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie,
andere instituties en personen besteden veel aandacht aan de rechtshistorische
ontwikkeling en de daaraan verbonden structuur van het Openbaar Ministerie.
Dat is begrijpelijk, maar
kan als misleidend worden bestempeld wanneer alleen de geschiedenis wordt
ingezet tegen noodzakelijke institutionele vernieuwing.
Dat het Openbaar
Ministerie historisch is ingesteld en wel in de koloniale tijd en daarna binnen
die koloniale en later postkoloniale structuur is gegroeid, betekent niet dat
deze structuur per definitie optimaal of onaantastbaar is.
Juist omdat Suriname zich
heeft ontwikkeld tot een zelfstandige democratische rechtsstaat waarvan de
huidige Grondwet ook vanuit gaat. De rechtsstaat gaat juist uit van
“deconcentratie van macht en check and balances”. Vandaar dat mag en móét
kritisch worden gekeken naar concentratie van macht, naar het ontbreken van
interne tegenwichten en van beperkte mogelijkheden tot correctie van
dwalingen. Tegelijk moet gekeken worden
naar de aard en samenstelling van deze samenleving die vraagt niet alleen naar
een constitutionele maatschappelijk structuur die past binnen de zojuist geschetste
hoofdlijnen van de rechtsstaat, maar ook dat het functioneren binnen de
instituten van die rechtsstaat daarvan een weerspiegeling is.
Er wordt door het Openbaar
Ministerie en andere instituties en personen gesteld dat een College van
Procureurs-Generaal, zoals voorgesteld niet past binnen de Surinaamse schaal en
context. Zo een argument reduceert mijns inziens de institutionele checks and
balances welke in een rechtsstaat eigen is tot een kwestie van
bevolkingsomvang. Dat is een fundamentele misvatting.
Het is in dit kader dan ook van belang de artikelen 146 en 147 van de
Grondwet te benadrukken. Artikel 146 lid 2: “ De Procureur Generaal
vertegenwoordigt de Republiek Suriname in rechte. Hij is hoofd van het Openbaar
Ministerie en is tevens belast met de justitiële politiezorg.
Hij is bevoegd aan de ambtenaren die met politionele taken zijn belast,
zodanige instructies te geven, ter voorkoming, opsporing en nasporing van
strafbare feiten, als hij in het belang van een goede justitie nodig oordeelt”. In combinatie met de artikelen 147 en 148 van
de Grondwet is dus de Procureur Generaal een onafhankelijke uitvoerder van het
vervolgingsbeleid van de regering.
In het verlengde hiervan bepaalt artikel 147 van de Grondwet dat: “ De
Procureur Generaal waakt voor de richtige uitoefening van de taak van de
politie. Hij is bevoegd daaromtrent voorstellen te doen die hem dienstig
voorkomen”.
Voorzitter ik vraag uw bijzondere aandacht voor wat in artikel 147 van
de Grondwet gesteld wordt, nl. “een richtige uitoefening van de taak van de
politie en is bevoegd daaromtrent voorstellen te doen die hem dienstig
voorkomen”. Voorzitter, even naar een praktijkgeval. Een (hoge) politieke
ambtsdrager A werd aangehouden zonder
artikel 140 van de Grondwet in acht te nemen. Was het een richtige uitoefening
van de taak van de politie wat gewaakt diende te worden door de
procureur-Generaal of had de Procureur-Generaal voorstellen gedaan die hem
(haar) dienstig voorkwamen? Het Hof had daarom logischerwijs deze daad
afgekeurd. Een zichzelf respecterend persoon zou hieraan consequenties hebben
verbonden.
De regering zou hier opgetreden moeten hebben want de vervolging had principiële zaken met de voeten betreden. Allen in DNA waren enorm verbaasd toen beelden opdoemde dat terwijl A nog wachtende was op verhoor door de politie, de president van de Republiek Suriname in de vergaderzaal van DNA persoonlijk melding maakte van een feit wat nog zou komen, nl. dat A aangehouden was. Dit alles terwijl A nog wachtende was op verhoor. Na een (schijn)verhoor is hij gelijk aangehouden en in de bak gegooid. De vervolging heeft gepersisteerd. Advocaten moesten een week lang zwaar aan de bel trekken. Rechters moesten aan te pas komen en na een week mocht A naar huis wachtende op verdere juridische behandeling van de zaak. Vandaag willen we allemaal doen alsof wij deze (politieke) insteek zijn vergeten. Zonder enige consequentie gaan wij vrolijk verder.
Ik kan verder gaan met meerdere voorbeelden, maar dat laat ik even.
De kernvraag is dan ook
niet hoe groot Suriname is zoals gepersisteerd, maar ‘hoeveel macht bij één
functionaris wordt geconcentreerd’, ‘hoe transparant en controleerbaar
beslissingen tot stand komen’ en ‘hoe consistent vervolgingsbeleid wordt
vormgegeven’. Dit terwijl een College kan zorgdragen voor versterking van
collegiale besluitvorming, vermindering van persoonsafhankelijkheid, verhoging
van interne kwaliteitscontrole en het voorkomen van institutionele
kwetsbaarheid bij wisseling van leiding. Dat is geen kopie van Nederland, maar
een toepassing van universele rechtsstatelijke principes. In een kleine
samenleving, waar persoonlijke, politieke en maatschappelijke lijnen kort zijn,
is extra institutionele bescherming essentieel, niet overbodig. Suriname kent
een Openbaar Ministerie dat sterk leunt op één Procureur-Generaal. Dat maakt
het systeem kwetsbaar bij functiewisselingen, afhankelijk van individuele stijl
en visie en moeilijk corrigeerbaar bij beleidsfouten. Benadrukt wordt dat een
bevolkingsomvang geen rechtsstatelijk criterium is.
Suriname telt circa
600.000 inwoners. Het OM suggereert dat deze omvang te klein zou zijn voor een
collegiaal vervolgingsorgaan
Er is ook bij de reacties
gesteld dat het Openbaar Ministerie slechts uit één parket bestaat en daarom
geen College nodig heeft. Dit argument houdt geen stand. Een College is geen
administratieve noodzaak, maar zoals eerder gesteld en benadrukt een
constitutioneel tegenwicht. Ook in landen met één nationaal parket bestaat
collegiale leiding, juist om strategische besluiten te toetsen, prioriteiten
gezamenlijk vast te stellen en onafhankelijkheid te beschermen. Suriname is
geen uitzondering die zich kan onttrekken aan universele rechtsstatelijke
beginselen. Integendeel: juist kleine landen moeten extra zorgvuldig omgaan met
macht. Controle is geen daad van vijandschap en starheid mag geen reden zijn om
niet open te staan voor ontwikkelingen die juist kunnen bijdragen aan de
versterking van onze rechtsstaat en aan een beter functioneren van het Openbaar
Ministerie.
Een College van
Procureurs-Generaal is geen aantasting van de onafhankelijkheid van het
Openbaar Ministerie, maar een versterking daarvan. In de Surinaamse context,
waar bestuurlijke, politieke en maatschappelijke lijnen kort zijn, is
concentratie van vervolgingsmacht bij één persoon structureel kwetsbaar.
Collegiale besluitvorming zorgt voor interne tegenspraak, inhoudelijke toetsing
en gedeelde verantwoordelijkheid, vooral in politiek beladen zaken (zie het
voorbeeld van de hoge politieke ambtsdrager A).
Internationale ervaring
leert dat juist in kleinere staten institutionele waarborgen noodzakelijk zijn
om persoonsafhankelijkheid, selectieve vervolging en de schijn van politieke
beïnvloeding te voorkomen.
Een College vergroot de
legitimiteit van vervolgingsbesluiten en beschermt het OM tegen vereenzelviging
met individuele keuzes of tijdsgebonden politieke verhoudingen.
Ook in het kader van het
hiervoor gestelde kan worden benadrukt dat vanwege de complexiteit en de aard
van de criminaliteit heden ten dage en de daaraan verbonden complexiteit voor
de opsporing en de vervolging welke daaraan gelegd dient te worden, vereist
eveneens bij de hoogste leiding van de vervolging een andere besluitvormingsstructuur. Een besluitvormingsstructuur bij het hoogste
vervolgingsapparaat zoals ik hiervoor heb uiteengezet.
De instelling van een
College van Procureurs-Generaal vereisen wel duidelijke randvoorwaarden.
Er moet worden gewaakt
voor bureaucratische verlamming, onduidelijke bevoegdheidsverdeling en
informele politieke benoemingen. Transparante benoemingscriteria, vastgelegde
besluitvormingsprocedures en een heldere afbakening van verantwoordelijkheden
zijn essentieel. Het college mag geen verlengstuk worden van de uitvoerende
macht, noch een intern politiek compromisorgaan. Regeling van zulke zaken horen
niet in de Grondwet maar zal bij de uitwerking in de wet door de Regering samen
met het Openbaar Ministerie, de Rechterlijke Macht en De Nationale Assemblee
een duidelijke plaats wordt gegeven. De voorgestelde aanpassingen in de
Grondwet geven slechts de grondslagen voor de herstructurering aan. Aan de
Regering en de Rechterlijke Macht, in het bijzonder het Openbaar Ministerie,
zullen wat ruimte en tijd moeten worden geboden de in de Grondwet te geven
grondslagen nader uit te werken in de terzake noodzakelijke wetsvoorstellen.
Vandaar dat ten aanzien
van de inwerkingtreding van deze specifieke wijzigingsvoorstellen van de
Grondwet, ook een gefaseerde aanpak wordt gegeven.
Nogmaals dit onderwerp
afsluitend, de keuze voor een College van Procureurs-Generaal is uiteindelijk
een keuze voor een sterkere, geloofwaardiger rechtsstaat: één waarin macht
wordt gedeeld, verantwoordelijkheid wordt gedragen en onafhankelijkheid niet
rust op personen, maar op instituties. Macht om te beslissen of iemand wordt
vervolgd of niet, macht om over de vrijheid van individuen te beslissen vergt
een andere benadering dan welke macht dan ook. Dat moet worden vastgehouden.
Hiermee geef ik niet aan dat het de
Procureur-Generaal of het Openbaar Ministerie, niet openstaat voor verandering.
Integendeel de Procureur-Generaal heeft in haar presentaties niet uitgesloten
een “management team” aan de leiding van het OM en de benoeming van de PG te
verbinden aan een termijn. Echter, hetgeen door de PG is voorgesteld tav een
management team aan het hoofd van het OM verandert niets aan het vraagstuk ten
aanzien van een PG aan het hoofd van het OM, als hiervoor is besproken. Maar ik
laat dit en de kwestie van de termijnen aan de verdere discussies van het
Parlement.
In verband met hetgeen ik hiervoor heb
gesteld en vanwege het ontbreken van een toelichting in het wetsontwerp ten
aanzien van deze materie, stel ik voor om
in de MvT het volgende op te nemen:
Voorstel aanpassing van de tekst in de Memorie van
toelichting.
C. College van Procureurs-Generaal bij het Openbaar
Ministerie.
Ten aanzien hiervan
zijn in het ontwerpwet tot nadere wijziging van de Grondwet
wijzigingsvoorstellen gedaan betreffende enkele bepalingen van de Grondwet, in
het bijzonder artikel 146 (onderdeel G).
De aanpassing van
artikel 146 heeft in de kern betrekking op het voorstel tot herstructurering
van het Openbaar Ministerie, waarbij ten aanzien van de toekomstige leiding van
het Openbaar Ministerie zal worden voorzien in een college (of een bestuur) en wel
in een “college van Procureurs-generaal”. In het verlengde hiervan zijn ook
voorstellen gedaan tot aanpassing van artikel 133 (onderdeel A) en de artikelen
141 en 142 (onderdeel F).
Alvorens nader wordt
ingegaan op de hiervoor bedoelde voorstellen ten aanzien van het Openbaar
Ministerie, is het op zijn plaats dat de zienswijze van het Openbaar Ministerie
ter zake wordt weergegeven, zodat deze geplaatst kan worden tegen de achtergrond
van de voorstellen. Er zijn tijdens parlementaire hearings en in de samenleving
veel reacties geweest met betrekking tot de voorgestelde herstructurering van
het Openbaar Ministerie in de Grondwet. Deze reacties versterken deels de
gedane voorstellen in het bijzonder met betrekking tot het voorstel tot de
instelling van een college van Procureurs-generaal voor de leiding van het
Openbaar Ministerie, en hebben deels een andere kijk op dit voorstel vanuit
historische beschouwingen.
Vanuit het Openbaar
Ministerie (OM) is ten aanzien van dit specifieke voorstel (College van
Procureurs-generaal) een duidelijke reactie geweest, welke neerkomt op de
benadrukking van de historische positionering van de huidige leiding van het
Openbaar Ministerie (de Procureur-generaal) als hoofd van de vervolging.
Het komt er dan
concreet op neer, dat aan het Openbaar Ministerie en wel met nadruk bij de
“eenhoofdig Procureur-generaal” sedert de koloniale tijd, maar ook daarna het
vervolgingsmonopolie in handen is gelegd.
Dit
vervolgingsmonopolie wordt steeds onafhankelijk van de Regering uitgeoefend,
aangezien de Procureur-generaal niet alleen onderdeel is van de Rechterlijke
Macht (artikel 133), maar ook voor het leven wordt benoemd (artikel 141). Die
historische positionering van de Procureur-generaal verdraagt zich niet met
hetgeen is voorgesteld betreffende de leiding van het Openbaar Ministerie.
De overige reacties
komen deels overeen met hetgeen hier door het Openbaar Ministerie wordt
gesteld, zij het ook dat wordt uitgegaan van een kwantitatieve benadering (OM
organisatorisch te klein voor het College functioneel als hoofd), met een
bepaald risico van politisering van dit orgaan, alsmede dat bij een college de
besluitvorming juist problematisch kan gaan verlopen. Echter zijn er ook
reacties die dit voorstel ondersteunen, in grote lijnen neerkomend op de
noodzaak van een gedegen “check and balances” in de besluitvorming van het
hoogste gezag van de vervolging.
Het
laatst gestelde, ten aanzien van de noodzaak van een gedegen besluitvorming bij
de hoogste leiding van de vervolging (OM), is dan ook de kern waarop dit
voorstel tot herstructurering van het Openbaar Ministerie, in het bijzonder
betreffende de instelling van een College van Procureur-generaal, is gebaseerd.
De
initiatiefnemers zijn de mening toegedaan dat het huidige systeem waarin het
Openbaar Ministerie opereert ontoereikend is voor de rechtsstaat Suriname. De
huidige constellatie waarin het Openbaar Ministerie sedert haar instelling ver
in de koloniale tijd is gestructureerd beantwoord dan ook niet meer aan de
maatschappelijke realiteit.
De voorgestelde
hervormingen van het Openbaar Ministerie zijn dan ook niet gericht op het
Openbaar Ministerie als de vervolgingsinstantie of gericht op degenen die
verantwoordelijk zijn voor de invulling van de vervolgingstaak. Er wordt niet
getornd aan het “vervolgingsmonopolie” dat berust bij het Openbaar Ministerie.
Het moet gezien worden als een noodzakelijke modernisering van de organisatie
van het Openbaar Ministerie, welke is gericht op de rechtszekerheid, de
rechtsgelijkheid en de controleerbaarheid van macht.
Een toekomstgerichte
moderniseringsgedachte welke is ingebed in de eisen van de huidige samenleving
met haar eigen karakteristieken welke eigen is aan deze tijd. De huidige
structuur van het Openbaar Ministerie zoals die in de kern in de Grondwet is
neergelegd biedt daartoe niet de ruimte. In de Grondwet zal daarvoor de ruimte
moeten gevonden, welke mogelijkheid thans niet wordt geboden.
Er zijn in de huidige
Grondwet bepalingen die deze modernisering in de weg staan, althans daartoe
geen ondersteuning bieden, welke dan ook aangepast dienen te worden. De
doelstelling van de wijzigingsvoorstellen is om aan deze modernisering een
grondwettelijke basis te bieden.
Dat het Openbaar
Ministerie historisch is ingesteld en wel in de koloniale tijd en daarna binnen
die koloniale en later postkoloniale structuur is gegroeid, betekent op
zichzelf nog niet dat deze structuur per definitie optimaal of onaantastbaar
is. Juist omdat Suriname zich heeft ontwikkeld tot een zelfstandige
democratische rechtsstaat waarvan de huidige Grondwet ook vanuit gaat.
De rechtsstaat gaat
juist uit van “deconcentratie van macht en check and balances”. Vandaar dat
kritisch mag en móét worden gekeken naar concentratie van macht, naar het
ontbreken van interne tegenwichten en van beperkte mogelijkheden tot correctie
van dwalingen. Tegelijk moet gekeken worden naar de aard en samenstelling van
deze samenleving, die niet alleen vraagt naar een constitutionele
maatschappelijk structuur die past binnen de hiervoor geschetse hoofdlijnen van de rechtsstaat,
maar ook met zich meebrengt dat het functioneren binnen de instituten van die
rechtsstaat daarvan een weerspiegeling is. Het voorstel tot de instelling van
een college van Procureurs-Generaal moet dan ook tegen die achtergrond worden
geplaatst.
Dit voorstel biedt
eveneens ruimte voor verdere toekomstige interne herstructurering van het
Openbaar Ministerie, mede in het licht van de verdere schaalvergroting van de
Surinaamse samenleving en van de opsporings- en vervolgingsinstituten.
B. De ontwerpwet houdende nadere wijziging
van de Grondwet (aanpassing van de preambule)
De door de
initiatiefnemers ingediende wetsvoorstel betreft slechts een aanvulling van de
preambulaire bepalingen. In de tekst betreffende de aanvulling van de preambule
van de Grondwet zoals die is voorgesteld, kan ik me terugvinden. Echter zal de
MvT moeten worden aangepast.
De vermelding in de
preambule dat de Inheemsen als de oorspronkelijke bewoners van dit land deel
zijn van de nationale identiteit is namelijk een feitelijke constatering welke
als juist kan worden bestempeld en kan ik me daarom in de voorgestelde
wetstekst geheel terugvinden. Echter zal steeds moeten worden benadrukt dat het
voor alle groepen in Suriname geldt dat hun aanwezigheid en verbondenheid met
dit land, een onlosmakelijk deel vormen van onze nationale identiteit en
geschiedenis. Hier mag geen onderscheid worden gemaakt of de indruk daartoe
worden gewekt. Geen twijfel mag bestaan dat alle groepen in Suriname gelijk
zijn erkend als burger en als groep, zoals de grondwet dat voorstaat. De
toelichting zal ook geen aanleiding moeten geven tot het tegendeel.
Voorts wil ik benadrukken
dat de in de toelichting benadrukte internationale verplichtingen geenszins
verplichten tot opname in de Grondwet of in de preambule en daarom ook geen
onderdeel mag zijn van de toelichting.
Ik stel dan ook voor de MvT in zijn geheel
aan te passen en zich te beperken tot hetgeen in het eerste deel van de MvT is
uiteengezet, en wel als volgt:
De voorgestelde wijziging van de Grondwet strekt ertoe om
een principiële en expliciete erkenning in de Grondwet op te nemen van de
inheemse volken als de oorspronkelijke bewoners van het Surinaams grondgebied.
Met deze wijziging wordt uitvoering gegeven aan de
historische realiteit van de eeuwenlange aanwezigheid van inheemse volken in
Suriname, waarbij hun specifieke verbondenheid met het land, hun unieke
culturele, spirituele en sociale identiteit, alsmede hun fundamentele rol in de
totstandkoming en vorming van de Surinaamse natie wordt erkend. Hun
verbondenheid met de Surinaamse bodem, hun culturele tradities en hun
collectieve gemeenschapsleven vormen immers een wezenlijk onderdeel van de
nationale identiteit.
Inheemse volken zijn niet-dominante groepen in een
bepaald (niet-statelijk) gebied en de afstammelingen van de oorspronkelijke
bewoners daarvan. Zij identificeren zichzelf als inheems en worden ook door
anderen al zodanig erkend. Zij onderscheiden zich van de andere
bevolkingsgroepen door hun eigen sociale, politieke en culturele identiteit,
hun talen en hun traditionele levenswijzen. Deze volken onderhouden een
speciale, spirituele en culturele band met hun voorouderlijk land en de
natuurlijke hulpbronnen daarop, welke band fundamenteel is voor hun
voortbestaan als collectief. Vaak leven zij in nauwe verbondenheid met het
milieu, zijn zij deels of geheel zelfvoorzienend, en zijn zij historisch en
actueel gemarginaliseerd binnen de samenleving.
Ondanks deze realiteit bevat de huidige Grondwet geen
expliciete bepaling omtrent de status van de inheemse volken als
oorspronkelijke bewoners van het grondgebied. Deze omissie is reeds geruime
tijd onderwerp van juridische, maatschappelijke en politieke discussie.
Suriname kent een rijke en diverse
bevolkingssamenstelling, waarin inheemse volken zoals de Kalina, Lokono, Trio,
Wayana, Akurio en Warao sinds mensenheugens aanwezig zijn. Hun aanwezigheid en
erfgoed vormen een integraal onderdeel van de Surinaamse samenleving en
nationale identiteit.
C. De ontwerpwet houdende wijziging van de
Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht (S.B. 2024 no. 158).
De initiatiefnemers van deze ontwerpwet hebben voorstellen tot de
aanpassing van de artikelen 2 en 8 van de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht.
Artikel 2 lid 2 van de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht regelt de benoeming
van de Procureur-Generaal, welke geschiedt nadat terzake overeenkomstig artikel
141 lid 2 van de Grondwet advies door het Hof van Justitie is uitgebracht.
Artikel 141
lid 2 welke als volgt luidt: “ De benoeming van de leden van de rechterlijke
Macht met rechtspraak belast en de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie
geschiedt door de Regering na advies van het Hof van Justitie.
Deze
benoeming zal voor de President, de Vice President, de leden van het Hof van
Justitie en de Procureur-Generaal voor het leven geschieden”, bepaalt niet dat de
benoeming van de Procureur-generaal vanuit de gelederen van het Openbaar
Ministerie dient te geschieden. Met de aanpassing van artikel 2 lid 2 wordt ten
aanzien van de benoeming van de PG wederom in overeenstemming gebracht met
artikel 141 lid 2 van de Grondwet.
Ten aanzien van de voorgestelde aanpassing van artikel 8 volsta ik met
verwijzing naar de in de memorie van toelichting terzake gegeven uiteenzetting,
waarbij de pensioenleeftijd van de Procureur-Generaal wederom is teruggebracht
naar de leeftijd welke voordien is geregeld in artikel 14a van de Wet RIS.
Overigens kan dan ook worden meegegaan met de door de initiatiefnemers
gedane voorstellen tot aanpassing van de artikelen 2 en 8 van de Wet
Rechtspositie Rechterlijke Macht.
D. De Ontwerpwet houdende nadere wijziging
van het Reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse
Rechterlijke Macht (G.B. 1935 no. 79, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2009
no. 33).
De
wijziging van de Wet RIS betreft een aanvulling van artikel 4 met een tweede en
een derde lid regelende de termijn waarbinnen het advies als bedoeld in artikel
141 van de Grondwet moet worden gegeven. (Artikel 141 lid 2: De benoeming van de leden van de
Rechterlijke Macht met rechtspraak belast en de Procureur-Generaal bij het Hof
van Justitie geschiedt door de Regering, na advies van het Hof van Justitie.
Deze benoeming zal voor de President, de Vice-President, de leden van het Hof
van Justitie en de Procureur-Generaal voor het leven geschieden).
De aanvullende bepaling in
artikel 4 van de Wet RIS is slechts bedoeld een nadere regeling van artikel 141
GW te geven, waarbij de termijn waarbinnen het daarin bedoeld advies door het
Hof van Justitie moet worden gegeven, op 30 (dertig) dagen is gesteld.
Over de noodzaak van deze
regeling en de redelijkheid van de vastgestelde termijn kan met de
initiatiefnemers worden meegegaan en verwijst hierbij naar de Memorie van
toelichting.
Het ingevolge artikel 141 uit te brengen advies betreffende de
benoeming van de leden van de zittende magistratuur en de PG is een termijn van
30 (dertig) dagen verbonden. De termijn van 30 (dertig) dagen kan als gangbaar
en redelijk worden beschouwd, waarbinnen het advies door het Hof van Justitie
uitgebracht dient te worden. Voorts wordt benadrukt dat aan de onderhavige
regeling niet is getornd aan de ingevolge artikel 141 van de Grondwet aan het
Hof van Justitie gegeven bevoegdheid. Het geeft slechts een nadere voorziening,
mede in verband met een gedegen uitvoering van die bevoegdheid, waarvoor de
wetgever bevoegd is.
