VSN: Brief Buitenlandse Zaken bevestigt geldigheid Toescheidingsovereenkomst, maar roept nieuwe vragen op over naleving van artikel 5

 Foto: VSN voorzitter Mahin Jankie

De Vereniging Surinaamse Nederlanders (VSN) heeft kennisgenomen van de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 4 juni 2026 betreffende de Toescheidingsovereenkomst van 25 november 1975.

In een persbericht stelt VSN vast dat het ministerie daarin uitdrukkelijk bevestigt dat de Toescheidingsovereenkomst nog steeds onverkort van kracht is. Tevens erkent het ministerie dat personen die onder artikel 5 lid 2 van de overeenkomst vallen, rechten aan deze verdragsbepaling ontlenen.

 


Volgens VSN zijn deze erkenningen van groot belang, omdat zij bevestigen dat de overeenkomst noch is beëindigd noch haar rechtskracht heeft verloren.

Tegelijkertijd merkt VSN op dat de brief geen aandacht besteedt aan de historische documenten die ten grondslag lagen aan de totstandkoming en uitleg van artikel 5 van de Toescheidingsovereenkomst. 

Reeds het Rapport van de Koninkrijkscommissie van 1974, dat een belangrijk fundament vormde voor de onafhankelijkheidsregeling van Suriname, ging uit van het blijvende karakter van de band tussen Suriname en de Surinaamse gemeenschap buiten Suriname. Tegen die achtergrond werden bijzondere waarborgen opgenomen voor de personen die onder artikel 5 van de Toescheidingsovereenkomst vallen. 

Daarnaast verklaarde minister Jan Pronk op 22 juni 1976 namens de Nederlandse Regering:

"In dit verband wil ik opmerken dat, zoals hierboven reeds is gesteld, de Toescheidingsovereenkomst het onvervreemdbare recht garandeert van Surinamers en Surinaamse Nederlanders om te allen tijde naar Suriname terug te keren. Suriname is volgens de bestaande regeling verplicht terugkeerders geen andere behandeling te doen ondergaan dan degenen die in Suriname zijn gebleven. Wellicht te overvloede teken ik hierbij aan dat de Nederlandse Regering onverkort vasthoudt aan de inhoud van de Toescheidingsovereenkomst op dit punt." 

In dezelfde parlementaire behandeling werd bovendien vastgesteld:

"Hierop kan, onder verwijzing naar de Toescheidingsovereenkomst, worden geantwoord dat deze periode in juridische zin van onbepaalde duur is." 

Volgens VSN blijkt hieruit dat de Nederlandse regering kort na de onafhankelijkheid van Suriname niet sprak over tijdelijke overgangsrechten, maar over onvervreemdbare rechten met een juridisch onbepaalde duur. 

Voorzitter Mahin Jankie verklaart:

"De brief van Buitenlandse Zaken bevestigt dat de Toescheidingsovereenkomst nog steeds volledig van kracht is. Wanneer men dit leest in samenhang met de verklaringen van de Nederlandse regering uit 1976, ontstaat een helder beeld. De regering sprak destijds over onvervreemdbare rechten, een recht op terugkeer te allen tijde, gelijke behandeling met in Suriname verblijvende Surinamers en een regeling van juridisch onbepaalde duur. Die historische uitleg kan niet los worden gezien van de betekenis van artikel 5." 

VSN constateert voorts dat uit de brief blijkt dat Nederland en Suriname er ondanks onderhandelingen niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de uitleg van artikel 5 lid 2. De onderhandelingen hierover zijn volgens het ministerie in 2010 zonder resultaat beëindigd.

De vereniging is van mening dat dit geen afbreuk doet aan de geldigheid van de overeenkomst of aan de daarin vastgelegde rechten. Integendeel, zolang de Toescheidingsovereenkomst onverkort van kracht is gebleven, behouden ook de daarin opgenomen rechten hun betekenis en rechtskracht.

VSN roept daarom zowel de Nederlandse als de Surinaamse regering op om de Toescheidingsovereenkomst uit te leggen en toe te passen overeenkomstig haar tekst, haar ontstaansgeschiedenis, het Rapport van de Koninkrijkscommissie van 1974 en de officiële verklaringen van de Nederlandse regering uit 1976. 

De vereniging zal haar inspanningen voortzetten om volledige duidelijkheid en daadwerkelijke naleving van de rechten uit artikel 5 van de Toescheidingsovereenkomst te bevorderen.