Rechtbank wijst beroep Surinaamse
oud-Nederlander af:
Strikte voorwaarden tijdelijke
verblijfsregeling blijven overeind
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van een
Surinaamse vrouw tegen de afwijzing van haar verblijfsaanvraag ongegrond
verklaard. De vrouw deed een beroep op de Tijdelijke regeling Surinaamse
oud-Nederlanders, maar voldeed volgens de rechtbank niet aan de strikte
voorwaarden die aan deze regeling zijn verbonden. Daarmee blijft het besluit
van de overheid om haar geen verblijfsvergunning te verlenen in stand.
Toescheidingsovereenkomst
De zaak raakt aan de nasleep van de
onafhankelijkheid van Suriname in 1975. Door de zogenoemde
Toescheidingsovereenkomst verloren veel Surinamers automatisch hun Nederlandse
nationaliteit. Onlangs besloot de Nederlandse overheid, na een aangenomen motie
(2024) in de Tweede Kamer van Kamerlid Henri Bontenbal (CDA), een tijdelijke
verblijfsregeling in te voeren voor een beperkte groep oudere Surinamers die al
lange tijd ongedocumenteerd in Nederland verblijven.
Die regeling is bedoeld voor Surinaamse
oud-Nederlanders die vóór 1975 Nederlander waren, minstens tien jaar
aaneengesloten in Nederland hebben verbleven vóór 1 januari 2025, geen
strafblad hebben en hun identiteit kunnen aantonen. Ook is een zogeheten burgemeestersverklaring
vereist en moeten aanvragen via het Amsterdams Solidariteits Komitee
Vluchtelingen (ASKV) worden ingediend.
Afwijzing
aanvraag
De vrouw diende in februari 2025 een aanvraag in
voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. De Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND) wees die af, omdat zij niet voldeed aan meerdere
voorwaarden van de regeling. Zo kon zij niet aantonen dat zij tien jaar
aaneengesloten in Nederland had verbleven, ontbrak de vereiste
burgemeestersverklaring en was haar aanvraag niet via het ASKV ingediend.
Daardoor kwam zij ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het zogeheten
mvv-vereiste, een verplichte machtiging tot voorlopig verblijf.
Bezwaren van
eiseres
In beroep stelde de vrouw dat de overheid de
regeling te strikt toepast en daarmee het doel van rechtsherstel ondergraaft.
Volgens haar zou het verlies van het Nederlanderschap in 1975 voor alle
betrokken Surinamers gelijk zijn geweest en zou verblijfsduur geen
doorslaggevende rol mogen spelen. Ook betoogde zij dat de eis van een
burgemeestersverklaring geen wettelijke basis heeft en dat het verplicht
indienen via het ASKV de toegang tot de regeling onnodig belemmert. Daarnaast
vond zij dat zij ten onrechte niet was gehoord in bezwaar.
Oordeel van de
rechtbank
De rechtbank ging niet mee in deze redenering.
Volgens de rechters is de tijdelijke regeling nadrukkelijk bedoeld voor een
afgebakende groep: Surinaamse oud-Nederlanders die inmiddels al lange tijd in
Nederland verblijven en hier sterke sociale banden hebben opgebouwd. Het
hanteren van een minimale verblijfsduur van tien jaar is volgens de rechtbank
niet in strijd met het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel. Ook oordeelde de
rechtbank dat de burgemeestersverklaring wél een wettelijke basis heeft en mag
worden gebruikt om langdurig verblijf vast te stellen.
Omdat vaststaat dat de vrouw niet aan de
kernvoorwaarden voldoet, mocht de overheid haar aanvraag afwijzen en het
mvv-vereiste tegenwerpen. Dat zij geen leges hoefde te betalen, wekte volgens
de rechtbank geen gerechtvaardigd vertrouwen dat haar aanvraag zou worden
toegewezen.
Geen ruimte
voor Woo-verzoek
Een verzoek van de vrouw om via deze procedure
ook documenten openbaar te maken over de totstandkoming van de regeling,
gericht aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid, werd buiten beschouwing
gelaten. Dat verzoek valt volgens de rechtbank buiten de reikwijdte van deze
zaak.
Ongegrond
Het beroep is ongegrond verklaard. De afwijzing
van de verblijfsvergunning blijft daarmee in stand en de vrouw krijgt geen
proceskostenvergoeding. De uitspraak onderstreept dat de tijdelijke regeling
strikt wordt toegepast en slechts toegankelijk is voor Surinaamse
oud-Nederlanders die exact aan de vastgestelde voorwaarden voldoen.
